Jaarlijks zijn er in ons land meer dan 118.000 kinderen slachtoffer van kindermishandeling of verwaarlozing. Eén op vier Nederlanders lijdt of heeft ooit geleden onder zulk geweld of vernedering. Dat is ernstig, maar het is ook best raar: van criminaliteit tot milieuvervuiling en van armoede tot emancipatie, op bijna elk vlak zien we gestage verbetering, waarom lukt dat niet bij kindermishandeling? De kosten van kindermishandeling zijn niet mis: mishandelde kinderen presteren minder op school en later op hun werk, doen als volwassene een groter beroep op de gezondheidszorg en hebben bovendien een neiging hun eigen kinderen ook weer te mishandelen. Mishandelde kinderen maken ook meer kans om de criminaliteit in te gaan. Dit alles moeten we natuurlijk optellen bij het individuele lijden van kinderen die mishandeld worden en van volwassenen die in hun kindertijd mishandeld zijn.
We verstaan onder kindermishandeling alle vormen van geestelijke en lichamelijke mishandeling, verwaarlozing en misbruik, al dan niet seksueel, zowel in het gezin als daarbuiten. Onder lichamelijke kindermishandeling vatten we alle vormen van lichamelijk geweld tegen een kind, zoals slaan, schoppen, bijten, knijpen, schudden van een baby of een kind laten vallen. Ook de zogenoemde corrigerende of pedagogische tik valt dus onder de mishandelingsdefinitie. Van psychische of emotionele mishandeling is sprake wanneer ouders of andere opvoeders het kind regelmatig uitschelden, vernederen, treiteren of angst aanjagen. Ook het opsluiten of sociaal isoleren van een kind valt hieronder. Dit oogt als een zeer ruime definitie, maar omvat niet meer dan de omschrijving in het Burgerlijk Wetboek sinds 2007. Intussen dalen de cijfers dalen niet. De inspanningen – van mediacampagnes tot professionele hulp – ten spijt. Hoe komt dat eigenlijk? Een paar redenen liggen voor de hand. Om te beginnen is kindermishandeling een misdrijf dat op een precaire grens ligt van privé en publiek. Opvoedingsvrijheid is fundamenteel en bemoeizucht met andermans kinderen ligt gevoelig.
Ondertussen wordt de schade voor een deel door de hele samenleving gedragen. Vervolgens weten we in veel gevallen niet goed wat we zouden kunnen doen aan het voorkomen of stoppen van dit misdrijf. Een harde aanpak (uit huis plaatsen) en straffen zijn vaak erger dan de kwaal. Preventie gaat moeizaam, is vaak ongericht en over de effecten weten we weinig. Wat ook niet helpt is dat er een batterij verantwoordelijke partijen is: de gemeente, jeugdzorg, wijkteam, kinderbescherming, de politie, maar liefst vier ministeries (Onderwijs, Veiligheid en Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken), het Openbaar Ministerie, enzovoort. Geen van die partijen is evenwel echt verantwoordelijk. Voor allemaal is het een hete aardappel die ze graag naar een ander doorschuiven.
Deze verklaringen voeden slechts de nieuwsgierigheid: waarom lukt het niet? Vanwaar de machteloosheid tegenover een van de meest schadelijke van alle misdaden? Om hier licht op te werpen en te kijken of dat nieuwe aanknopingspunten biedt, benaderen we in dit boek kindermishandeling als een wicked problem, een taai en complex maatschappelijk vraagstuk waarvoor geen panklare oplossing bestaat. Een vraagstuk waarbij vele partijen en instanties zijn betrokken, die daar ook weer elk hun eigen ideeën over hebben. Een vraagstuk bovendien waarvan we niet goed weten wat een effectieve aanpak zou kunnen behelzen. Een vraagstuk ten slotte dat enorme kosten met zich meebrengt en waarvan we het ons niet kunnen veroorloven het er maar bij te laten zitten. Door de benadering van een wicked problem hopen we deze complexheid beter te doorgronden en nieuw licht te werpen op mogelijke oplossingen. Hiertoe hebben we een breed scala aan onderzoekers en deskundigen op dit terrein gevraagd een bijdrage te leveren. Enkele journalisten brengen tussendoor de schrijnende praktijk en de worsteling van beroepskrachten in beeld.