(On)zichtbare beelden van jonge aanwas in de drugscriminaliteit - Een meta-analyse van tien deelonderzoeken in de regio Midden-Nederland

(On)zichtbare beelden van jonge aanwas in de drugscriminaliteit - Een meta-analyse van tien deelonderzoeken in de regio Midden-Nederland

Gratis

Omschrijving

 

 

Het RIEC Midden-Nederland1 heeft binnen het regioprogramma ‘Straatwaarde(n)’ in tien gemeenten onderzoek gedaan naar jonge aanwas in de (hard)drugshandel. Op basis hiervan is een meta-analyse uitgevoerd aan de hand van drie onderzoeksvragen:

WAT | Welke verschijningsvormen van ondermijnende harddrugscriminaliteit domineren in de beelden van professionals in de tien gemeenten? 

WIE | Wat zijn op individueel, gezins-

en breder contextueel niveau de geduide kenmerken van de jongeren die daarbij betrokken zijn?

 HOE | Op welke wijze raken deze jongeren betrokken bij harddrugscriminaliteit?

 

Tot slot is er ook aandacht geweest voor handelingsperspectief: Wat is er volgens professionals nodig om te voorkomen dat jonge aanwas (verder) afglijdt in de (hard)drugscriminaliteit?

Deze meta-analyse is gebaseerd op (literatuur en) tien lokale deelonderzoeken waaraan in totaal 205 professionals deelnamen middels (groeps)interviews. Op basis daarvan komen de volgende inzichten naar voren:

WAT | Qua verschijningvorm is op wijkniveau (hard)drugshandel en -gebruik het meest zichtbaar. Daarbij komt naar voren dat harddrugsgebruik genormaliseerd lijkt en social media in relatie tot drugshandel een belangrijke rol spelen. Op opslag- en vervaardigingslocaties is relatief minder zicht. Wel komt in dit kader

misbruik van woningen van kwetsbare personen naar voren. Professionals benadrukken bovendien 

intergemeentelijke relaties als het gaat om de markt van vraag en aanbod van harddrugs.

WIE | Qua kenmerken valt op dat op individueel niveau jonge aanwas in de (hard)drugscriminaliteit een gevarieerdere, bredere groep jongeren betreft dan doorgaans wordt gedacht. Het gaat namelijk niet expliciet om jongeren met ‘bekende’ risicofactoren. Naast jonge aanwas die grofweg voldoet aan het beeld

van wat doorgaans als risicogroep wordt gezien, wordt in zes van die tien gemeenten ook jonge aanwas beschreven die doorgaans minder direct als risicogroep wordt herkend.

Volgens professionals is de startleeftijd van jonge aanwas over het algemeen 12 jaar, maar domineren 15- en 16-jarigen het beeld. In dat kader komt de transitiefase van de basis- naar de middelbare school als een belangrijk (interventie)moment naar voren.

Op gezinsniveau vertalen risicofactoren zich naar zowel ‘(multi)probleemgezinnen’ als ‘welgestelde’ gezinnen. Het gaat volgens professionals met name om gezinnen met (onder andere) een niet-ondersteunende opvoedstijl, armoede en een verstoorde communicatie tussen ouder en kind die effectieve ouderbetrokkenheid in de weg zit. Een deel van de jonge aanwas komt echter ook uit relatief welgestelde gezinnen met een meer ondersteunende opvoedstijl. Ouders uit dergelijke gezinnen zijn volgens professionals relatief weinig thuis en hebben daardoor minder zicht en/of grip op het leven van hun kinderen.

Op breder contextueel niveau kan geconcludeerd worden dat jonge aanwas niet alleen uit de veelal bekend veronderstelde relatief laag sociaaleconomische 

betekenisvolle rol spelen in relatie tot (hard)drugscriminaliteit. Hiernaast komt naar voren dat met name bij een deel van de jonge aanwas uit de relatief lage sociaaleconomische (‘achterstands’) wijken/buurten een mate van stigmatisering en sociale uitsluiting ervaren wordt. Dit kan het geloof in sociale stijging en/of alternatieve toekomstperspectieven bemoeilijken.

HOE | Qua wijze van betrokken raken bij (hard)drugscriminaliteit gaat het om een

wisselwerking tussen ‘benaderd worden’ en ‘eigen initiatief’ binnen het (on- en offline) sociale netwerk. De rol van social media en

negatieve rolmodellen uit de wijk of buurt is

daarbij betekenisvol. Professionals zien daarbij signalen die relateren aan misbruik van (vermoedelijk) laag verstandelijk beperkte (LVB) jongeren. Verder zijn er signalen die passend zijn bij bekende fasen van rekrutering. Deze zijn echter afzonderlijk per fase zichtbaar maar niet opeenvolgend aan elkaar. Van doelgerichte rekruteringsprocessen lijkt dan ook niet per definitie sprake te zijn. Om hier meer over te kunnen zeggen is meer onderzoek nodig.

Als het gaat om het handelingsperspectief onderstrepen professionals in alle tien de deelonderzoeken het belang van preventief werken in het voorkomen van jonge aanwas. De aanbevelingen op basis van de meta-analyse zijn (verkort) als volgt:

1.      Geef aandacht aan een gevarieerdere/ bredere groep jonge aanwas dan doorgaans wordt gedacht. Zoek niet alleen met professionals maar ook met kwetsbare jongeren zelf een antwoord op de vraag hoe ze hun weerbaarheid tegen verleidingen van (hard)drugscriminaliteit kunnen versterken. Verken samen reële alternatieven die bijdragen aan een duurzaam positief toekomstperspectief;

2.      Zorg dat het moment van overdacht van de basis- naar de middelbare school meer bestrijkt dan alleen een onderbouwing van/ (‘achterstands’)buurten komt maar ook uit relatief hoog sociaaleconomische (‘welvarender’) buurten. Helaas is van laatstgenoemde buurten nog weinig zicht op de specifieke dynamieken of kenmerken die een 

toelichting op het schooladvies van een jongere. Denk aan aandacht voor het veranderde schoolritme, veranderende verantwoordelijkheden en de ervaren kwetsbaarheden, maar ook toekomstige inzet op talenten;

1.      Geef voorlichting/training aan ouders en/of andere betekenisvolle personen in het sociale netwerk van jonge aanwas om sociale weerbaarheid te versterken. Ga daarbij uit van de dialoog en verken niet alleen hoe professionals en instituties, maar ook ouders zelf en/of informele organisaties elkaar kunnen helpen;

2.      Zet lokale positieve betekenisvolle rolmodellen uit de eigen sociale (wijk/buurt) context van jongeren (met beleid) in. Op die manier kan de beleving van daadwerkelijk haalbare toekomstperspectieven én het sociale netwerk van jongeren positief versterkt worden;

3.      Werk aan korte(re) lijnen tussen (het sociale netwerk van) jongeren en betekenisvolle (in)formele professionals en organisaties. Verken met partners de intergemeentelijke relaties in de markt van vraag en aanbod van harddrugs en benut social media mogelijkheden als betekenisvol leefdomein waar jongeren actief zijn;

4.      Geef voorlichting en/of training aan docenten/schoolpersoneel en werk samen met scholen een lokaal routeringsplan bij signalen uit om bewustwording en concreet handelingsperspectief te versterken;

Breng middels een integrale aanpak gezamenlijk lokale negatieve rolmodellen in beeld en investeer blijvend op de dynamiek tussen de meer repressieve aanpak van dergelijke negatieve rolmodellen en (getimede communicatie over) de inzet op preventie en maatschappelijke weerbaarheid op wijk- en buurtniveau.