Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 12 juni 2020 In juli 2017 werd Joost Wolters door Philip O. (hierna O.) neergestoken, waarna hij overleed. De inspecties onderzochten de aan O. geboden zorg en het justitiële traject dat O. doorliep. Eind 2019 debatteerden we over het onderzoek en onze reactie op de aanbevelingen van de inspecties. Er zijn sindsdien stappen gezet. Hierbij rapporteer ik, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna VWS), over de voortgang aan de hand van vier thema’s: breder toezicht, completer beeld, zorgvuldiger toetsing en helderder regie. Breder toezicht Gedurende het debat vroeg uw Kamer nadrukkelijk aandacht voor het overkoepelende toezicht op de kwaliteit en veiligheid bij de justitiële organisaties (Handelingen II 2019/20, nr. 36, item 15). Concreet ging het daarbij om verbreding van het toezicht op het openbaar ministerie (hierna OM), intensivering van de samenwerking tussen inspecties en het beter betrekken van medische informatie bij onderzoek door de IJenV. De daarop ondernomen stappen beschrijf ik hieronder.
–Toezicht op het handelen van het OM
Naar aanleiding van de motie van het lid Van Toorenburg c.s. over verbreding van het toezicht op het OM sprak u met de Minister van Justitie en Veiligheid en is uw Kamer op 12 februari 2020 schriftelijk geïnformeerd over de uitkomst.1, 2 Het toezicht van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (hierna PGHR) op het OM wordt verruimd met onderzoek naar ingrijpende gebeurtenissen, zoals het overlijden van Joost Wolters, en de uitvoering in het algemeen. De PGHR toetst of bij de handelingen die het OM verrichtte de wettelijke voorschriften naar behoren zijn gehandhaafd of uitgevoerd. Het samenstel aan conclusies van de IJenV en de PGHR kan worden benut voor verbetering van de effectiviteit van het handelen van en de samenwerking tussen alle instanties. De verruiming vergt vastlegging van werkwijzen tussen de PGHR en het College van PG’s en de PGHR en IJenV. Ingegeven door een motie van het lid Van Wijngaarden om het lerend vermogen van het OM te versterken, is daarnaast in het kader van slachtofferzorg onderzoek verricht naar de eventuele rol en positie van een slachtoffercommissaris, naar Engels voorbeeld.3 Nog deze zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de bevindingen in de voortgangs-rapportage Fokkens. Daarnaast is het belangrijk te vermelden dat de Nationale ombudsman (hierna NO) op dit moment onderzoek doet naar aanleiding van klachten van slachtoffers. Het onderzoek gaat over de vraag wat slachtoffers redelijkerwijs van het OM mogen verwachten ten aanzien van met name informatieverstrekking en bejegening. De NO hoopt voor de zomer met het OM te spreken over de bevindingen.
–Betrekken van medische informatie
In de wederhoorfase gaf de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) als reactie dat de IJenV geen kennis heeft kunnen nemen van het medisch dossier en dat DJI het, gezien de gevoelige materie, van het grootste belang acht dat eventuele conclusies worden getrokken op basis van volledige informatie, met inbegrip van het medisch dossier. DJI had dat medisch dossier aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gezonden en een analyse zonder medische informatie aan de IJenV. De IJenV gaf hierop aan dat het medisch dossier met een beroep op het medisch beroepsgeheim aan haar niet ter beschikking werd gesteld en dat zij de toegezonden analyse heeft bestudeerd en betrokken bij haar rapport (paragraaf 5.1.2. in het bijzonder), met de kanttekening dat de IJenV de informatie die erin staat niet zelf heeft kunnen verifiëren in het dossier.
Tijdens het debat heb ik laten weten dat ik het onbevredigend vind dat op een punt dat zo raakt aan de kern van het besluit om O. voorwaardelijk in vrijheid te stellen boven de markt blijft hangen of raadpleging van het medisch dossier tot een andere conclusie zou hebben geleid dan de IJenV in haar rapport heeft getrokken. Niet om te bepalen wie er gelijk heeft maar vooral om te leren naar de toekomst. Ik heb u daarom toegezegd door een onafhankelijke en daartoe bevoegde derde te laten toetsen of de inhoud van het medisch dossier van O. een ander licht werpt op de bevindingen van de IJenV. De toets is door de heer prof. dr. C.L. Mulder en de heer dr. R.B.M. Keurentjes (hierna de commissie) uitgevoerd. Het verslag treft u als bijlage aan4. Het oordeel van de commissie spreekt naar mijn mening voor zich. Raadpleging van het medisch dossier maakt de afwegingen van PPC Vught ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van O. weliswaar inhoudelijk beter te volgen, maar doet voor het overige niets af aan de conclusies van de IJenV. Het oordeel van de commissie onderstreept dat het verlenen van een v.i. geen vanzelfsprekendheid moet zijn. Hiervoor moeten in de eerste plaats de mogelijkheden van de huidige regelgeving beter worden benut en onder meer om die reden is het wetsvoorstel straffen en beschermen (SenB) ingediend. Daarbij is nog relevant dat de IGJ onlangs onderzoek deed naar hoe PPC Vught opvolging heeft gegeven aan de verbetermaatregelen ingegeven door het detentieverloop van Michael P. Uit dit onderzoek blijkt dat Vught niet heeft stilgezeten. PPC Vught heeft de verbeter-maatregelen, bijvoorbeeld ten aanzien van risicotaxatie, opgepakt en zich bovendien ingespannen om de geleerde lessen te delen met het forensische zorgveld. De IGJ heeft de rapportage over dit onderzoek op haar website gepubliceerd.