Een systeem wordt gevaarlijk zodra het zichzelf niet meer ter discussie stelt. Regels worden vanzelfsprekend, structuren worden heilig en patronen worden verward met oplossingen. De vraag is daarom niet alleen wat werkt, maar vooral: wat houdt het systeem in stand?
Fullans principes bieden een manier om die vraag voortdurend te stellen: waar vraagt de praktijk om deep work? Waar wordt verandering een project in plaats van een continu proces? Waar zitten de silo’s? Welke ruimte krijgen jongeren als change agents? Hoe wordt de praktijk teruggebracht in het systeem? En wanneer maakt leiderschap zichzelf onmisbaar in plaats van het systeem sterker? Systemen doorbreken betekent daarmee: niet settelen, maar alert blijven op wat verstilt, uitsluit en vastzet – en steeds opnieuw beweging organiseren. Wat is het centrale probleem wanneer we naar het sociale domein van de jeugd kijken als veranderend systeem?
Het sociale domein van de jeugd is geen statisch landschap, maar een voortdurend stromende rivier. Juist daar ontstaat een risico: systemen kunnen zich vastzetten in zogenaamde systeem-schuren. Verstarring, bureaucratie, traditionele hiërarchieën en vaste werkwijzen kunnen ertoe leiden dat organisaties vooral reageren op problemen, in plaats van de onderliggende dynamiek te begrijpen. De grootste bedreiging is daarmee niet alleen een verkeerde oplossing, maar het stilstaan zelf.
Op 21 april 2026 deed de Hoge Raad uitspraak over de toepassing van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969. Het heeft hierbij het toetsingskader aangescherpt. Hoe zit dat?
In de uiteenzetting van het toetsingskader begint de Hoge Raad met het definiëren van de term ‘overwegende bedenkingen’. De Raad stelt dat hier pas sprake van is bij ‘ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’. 1 Hierbij moet er sprake zijn van voldoende concrete en zwaarwegende bezwaren en moet het betrekking hebben op de richting en dus de fundamentele oriëntatie van het onderwijs. De Hoge Raad besteedt in het vormen van dit kader meerdere overwegingen aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Als jeugdarts op middelbare scholen was ik onder andere betrokken bij het zorgadviesteam op het Greijdanus in Hardenberg. Op deze school ontstond de behoefte aan een andere werkwijze.
Eén van de redenen voor een nieuwe werkwijze was dat het zorgadviesteam eerder betrokken wilde worden bij leerlingen die dreigden vast te lopen in het voortgezet onderwijs. Ook bij leerlingen die door externe hulpverlening het advies kregen dat schoolgang niet meer mogelijk was. Een wens was te kunnen voorkomen dat er vanuit een eenzijdige diagnose wordt gewerkt én dat er alleen maar een enkelvoudige oplossing buiten de school wordt gezocht. Om meer recht te kunnen doen aan de leerling in zijn of haar relatie met anderen. En dat school daarmee een belangrijke en betekenisvolle relatie vormt voor leerling en ouders.
Ondanks alle goede bedoelingen rond passend en inclusief onderwijs vallen er regelmatig kinderen buiten de boot. Daardoor komen zij in de knel. Voor onderzoeker Astrid Ottenheym-Vliegen is dat een belangrijke drijfveer om te onderzoeken hoe het anders kan. Volgens haar kijken we bij uitdagend gedrag nog te vaak vooral naar het kind. Daardoor blijven andere perspectieven en de wisselwerking met de omgeving gemakkelijk buiten beeld.
Astrids promotieonderzoek gaat over hoe leerkrachten uitdagend leerlinggedrag interpreteren. En welke rol meervoudig perspectief nemen speelt in hun interpretaties en handelen. Daarbij benadert zij gedrag vanuit het pedagogisch ecosysteem: het dynamische geheel rond kinderen en jongeren, waarin mensen, relaties en omstandigheden elkaar voortdurend beïnvloeden. Die wisselwerking kan ontwikkeling, inclusie en veerkracht bevorderen, maar ook belemmeren.
Met haar onderzoek wil ze laten zien hoe het nemen en verbinden van verschillende perspectieven de handelingsruimte kan vergroten: die van het kind, de ouders en de leerkracht Met daarbij aandacht voor de groep, de leefomgeving en de bredere context. Ze ontvangt OnzeJeugd.NU opgewekt en kleurrijk gekleed. Die ochtend heeft ze gehoord wanneer ze haar promotieonderzoek aan de Radboud Universiteit mag verdedigen: “Ja, 25 november is het zover!”, zegt ze enthousiast. Zodra ze over haar onderzoek begint te vertellen, wordt duidelijk hoe belangrijk ze het onderwerp vindt.
Het ligt bij de ander
Astrid: “Stel, we zeggen over een leerling: hij heeft geen zin in school, gooit er met de pet naar, gaat lopen muiten. Maar wat zien we eigenlijk? In zo’n beschrijving zitten al allerlei interpretaties. We denken misschien dat we gedrag beschrijven, terwijl we er al betekenis aan hebben gegeven. Die betekenis kleurt vervolgens hoe we handelen. Omdat een kind gedrag laat zien dat wij als problematisch ervaren, zoeken we de verklaring gemakkelijk bij het kind.
Het is een mooi voorbeeld van wijzen naar iets of iemand anders, ook wel ‘externe attributie’: het systeem de schuld geven. Dat systeem zegt immers toch niets terug. Het systeem is groot, ingewikkeld en kent vele ingangen, uitgangen en factoren. Aan welke knoppen kun je draaien en wie neemt verantwoordelijkheid voor de gevolgen? Is het ooit af?
In 1972 verscheen Grenzen aan de groei van hoofdauteur Donella Meadows (1941-2001). Wat we tegenwoordig in de grote maatschappelijke discussies terugvinden aan problemen, tegenstellingen en oplossingen is daar al te zien. Er werd vooral de relatie tussen klimaat en economische groei gelegd. Meadows werd een gerespecteerd spreker en auteur over systemen. Na haar overlijden verscheen postuum Thinking in systems (2008) dat een goed overzicht geeft van hoe zij naar systemen keek en vooral: wat we ermee kunnen.
Binnen onderwijs en jeugdhulp kennen we ook deze systeemdiscussies. Het is een bijna ritueel onderdeel van de vele overlegtafels die je in die wereld kunt vinden. Op het moment dat het te groot en te ingewikkeld wordt, wijst de tafel naar ‘het systeem’. Het systeem krijgt de schuld en iedereen is weer even gerustgesteld. En verdoofd.
Systemen in onderwijs en jeugdhulp
Neem schooluitval. De oppervlakkige reactie bij de gebeurtenis ‘uitval’ is: zo snel mogelijk terug naar school. Als dat niet gemakkelijk lukt ontstaat er een opvangfaciliteit voor uitvallers. Zo ontstaat langzaam een systeem rond uitval waarbij elk onderdeel van dat systeem zijn eigen bijdrage heeft aan de instandhouding van dat systeem. De oplossing werd het nieuwe probleem. Uiteindelijk doet iedereen zijn best terwijl de aantallen blijven groeien.
Of vroege selectie in scholen: in de kern het antwoord op een behoefte om onzekerheid in loopbanen uit te sluiten. Dat lukt ook goed; er is een functionerend systeem ontwikkeld waarmee we al vroeg kinderen in stromen kunnen rangschikken. Een prachtig discriminerend systeem. We weten echter ook dat het de kansen beïnvloedt: eenmaal in een stroom is het maar moeilijk om daar uit los te komen. Meet het systeem dan de bedoeling van het systeem (voorspelbare loopbanen) of de mate waarin kinderen zich naar vermogen konden ontwikkelen?
In Nederland worden kinderen al op 11-jarige leeftijd geselecteerd voor het voortgezet onderwijs. Ze krijgen een schooladvies, maken de doorstroomtoets, en daar volgt dan uit of ze naar het vmbo, de havo of het vwo kunnen. Voor de vergelijking: de meeste landen selecteren kinderen pas op 15-jarige leeftijd.
Wetenschappelijke onderzoeken laten zien dat hoe vroeger je selecteert, hoe groter de kans is dat er kansenongelijkheid ontstaat. Want hoe eerder je selecteert, hoe groter de rol is van de thuissituatie van het kind. Voor kinderen die opgroeien in armoede pakt dat extra hard uit. Zij hebben vaak al vóór de basisschoolleeftijd een achterstand in rekenen en taal ten opzichte van kinderen uit hoge-inkomensgezinnen. Een verschil dat tijdens de basisschool niet wordt ingehaald.
Armoede beïnvloedt prestaties op school
Onderzoek laat zien dat in landen waar vroeg geselecteerd wordt, er grotere onderwijsongelijkheid en sterkere sociale scheiding ontstaat tussen leerlingen in het voortgezet onderwijs. Landen die later selecteren blijken beter in staat om die verschillen tussen arme en welvarende leerlingen te verkleinen, zonder dat de gemiddelde prestaties daaronder lijden.
Armoede werkt op een cumulatieve manier door in het leren van kinderen, de effecten van armoede stapelen zich op. Een kind met geldzorgen thuis, heeft vaker te maken met stress, onzekere huisvesting of ouders die weinig tijd hebben om mee te helpen met school. Dat kind wordt vervolgens beoordeeld op een moment waarop die achterstand nog volop meespeelt.