Wanneer jongeren ‘in de fout’ gaan, reageert de maatschappij vaak met een roep om strengere beveiliging en vergelding om de samenleving veiliger te maken. Maar wie echt wilt bijdragen aan een veiliger samenleving en recidive wil voorkomen, moet verder kijken dan dat en jongeren kansen bieden zich positief te ontwikkelen.
Zowel wetenschappelijke als praktijkinzichten tonen aan dat alleen straffende of afschrikkende interventies, zonder een therapeutisch karakter en aandacht voor positieve ontwikkeling, het recidiverisico niet verminderen en dit zelfs kunnen vergroten (Loeffler & Nagin, 2022).
Dit raakt aan een dualiteit rondom vrijheidsbeneming van jongeren: om de samenleving te beschermen is het soms nodig iemands vrijheid tijdelijk te beperken, maar dit kan op gespannen voet staan met wat jongeren nodig hebben voor een positieve ontwikkeling. Onderzoek toont aan dat vrijheidsbeneming de ontwikkeling van jongeren kan belemmeren door beperkte onderwijs- en arbeidsmogelijkheden, beperkt contact met andere leeftijdsgenoten die geen delinquent gedrag vertonen, beperkte autonomie, isolatie en stigmatisering (Nowak, 2019). Voorts laat onderzoek zien dat een aanzienlijk deel van de jongeren in detentie kampt met complexe problematiek, waaronder psychiatrische stoornissen, trauma en ontwikkelingsachterstanden (Colins et al., 2010). In dergelijke gevallen is delinquent gedrag zelden een geïsoleerd fenomeen, maar eerder een uitingsvorm van bredere psychosociale disfuncties en maatschappelijke problemen (zoals armoede). Een eenzijdige focus op risicoreductie en vergelding doet dan onvoldoende recht aan de onderliggende mechanismen die het gedrag in stand houden.
Bovendien herkennen professionals in de praktijk een terugkerend patroon: jongeren leren binnen een gecontroleerde setting om risico’s te vermijden, maar slagen er meestal onvoldoende in om buiten die context in de maatschappij een stabiel, prosociaal leven op te bouwen. Daarmee komt een fundamentele vraag naar voren: is enkel het voorkomen van nieuw delinquent gedrag gericht op risicoreductie voldoende, of vraagt effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit en (re)socialisatie om een bredere, meer context- en krachtgerichte benadering?
Van risicobeheersing naar een brede krachtgerichte benadering
Tegen deze achtergrond wint het Good Lives Model of Offender Rehabiliation (GLM) aan invloed. Dit model, oorspronkelijk ontwikkeld binnen de volwassen forensische context (Ward, 2002), is de afgelopen jaren steeds vaker toegepast in allerlei doelgroepen, waaronder adolescenten (Fortune, 2018). Het GLM vertrekt vanuit een ander uitgangspunt dan traditionele risicomodellen zoals het Risk-Need-Responsivity (RNR) model van Bonta en Andrews (2017).
Het RNR-model stelt namelijk dat effectieve interventies binnen het (jeugd)strafrecht zich primair moeten richten op risicofactoren die direct samenhangen met recidive, zoals antisociale attitudes, school-werkproblemen, gezinsproblemen, criminele leeftijdsgenoten en middelenmisbruik (Bonta & Andrews, 2017). Het GLM daarentegen benadrukt dat een effectieve aanpak een dubbele focus vereist: zowel het verminderen van recidiverisico als het bevorderen van het welzijn van degene die een delict heeft gepleegd (Ward, 2002; Ward & Maruna, 2007). Werken aan een beter leven kan het recidiverisico duurzamer verlagen door te focussen op het perspectief van een gelukkiger en prosociaal leven, in plaats van louter het vermijden van een risicovol en antisociaal bestaan. De aanname is: wanneer men niet alleen werkt aan (door professionals bepaalde) risicofactoren, maar ook aan persoonlijk relevante levensbehoeften en welzijn van de jongeren (of volwassenen) zelf, kan dit de behandelmotivatie vergroten e