Sozio 2 2026

Sozio 2 2026

Halt aan recidive

Omschrijving

Dankzij Ed

Criminaliteit
Nederland in cijfers

Het gesprek aangaan: ook als het moeilijk is

Young Perspectives: Het jongerenperspectief centraal

Preventie en repressie in balans

Muzikale representaties van detentie Gecomponeerde wegen naar desistance

Samen werken aan zinvolle detentie Geloof in herstel

Hoe Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland van detentie meer maken dan vrijheidsberoving

Wat het leefklimaat doet met langgestrafte gedetineerde
Leven achter tralies, langdurig

Peter komt terug, maar hoe?

Rots en water en jeugdcriminaliteit

Binnen beginnen, om buiten te winnen 
Zinvolle detentie begint waar het oordeel ophoudt

Vroegtijdige schuldenaanpak is fundamenteel voor zinvolle detentie en succesvolle re-integratie

Wat Werkt?
Minder dan we denken, meer dan we doen

Vader-kindrelaties
Als sleutel tot zinvolle detentie

Can do
Zinvolle detentie en perspectief na vrijlating in het Canadese gevangeniswezen

Zinvolle detentie

Bouwen aan een ‘Goed Leven’

Huis van herstel Twente
‘Dit was mijn reddingsboei’

Waarom (ex) gedetineerden met een lvb andere begeleiding nodig

'Can do'. Zinvolle detentie en perspectief na vrijlating in het Canadese gevangeniswezen

'Can do'. Zinvolle detentie en perspectief na vrijlating in het Canadese gevangeniswezen

De wettelijke basis daarvoor is stevig: de Corrections and Conditional Release Act omschrijft het doel van het federale gevangeniswezen als ’bijdragen aan de instandhouding van een rechtvaardige, vreedzame en veilige samenleving’ door actief gedetineerden te begeleiden bij hun terugkeer als wetsgetrouwe burgers. De Correctional Service of Canada (CSC), verantwoordelijk voor alle federale gedetineerden met een straf van twee of meer jaar, heeft een uitgebreid arsenaal aan programma's en diensten ontwikkeld: onderwijs, beroepsopleidingen, behandelprogramma's voor verslaving en agressie, re-integratietrajecten en culturele programma's voor inheemse gedetineerden.
En toch schildert de onafhankelijke Correctional Investigator — de ombudsman van het federale gevangeniswezen — jaar na jaar een ander beeld. Gevangenissen die meer op beheersing dan op rehabilitatie zijn gericht. Eenzame opsluiting die wordt gecontinueerd onder een andere naam. Flagrante oververtegenwoordiging van inheemse en zwarte Canadezen. Gedetineerden die rechtstreeks vanuit maximale beveiliging de straat op worden gestuurd, zonder voorbereiding of begeleiding. 
Het verhaal van het Canadese gevangeniswezen is er een van serieuze ambities en structurele tekortkomingen — een stelsel dat weet wat het wil bereiken, maar er maar niet in slaagt dit consequent te realiseren. Dit artikel onderzoekt hoe Canada het verblijf in detentie tracht te voorzien van zinvolle activiteiten en in welke mate het stelsel richting en perspectief biedt op het leven na de gevangenis. Daarbij wordt gekeken naar het federale stelsel als geheel, maar ook naar de specifieke uitdagingen rondom inheemse gedetineerden, de omstreden Structured Intervention Units, en de vijf prioritaire thema's uit het Federale Kader voor de Vermindering van Recidive (2022).

De filosofie van het Canadese detentiestelsel
Het Canadese federale gevangeniswezen kent een tweeledige structuur. De provinciale gevangenissen herbergen gedetineerden met straffen tot twee jaar; de federale inrichtingen van de CSC zijn verantwoordelijk voor langgestraften. Die scheiding heeft praktische gevolgen: de rijkere programmatische infrastructuur van de CSC is niet beschikbaar voor de grote meerderheid van gedetineerden die relatief korte provinciale straffen uitzitten.
Het wettelijk raamwerk van de CSC is in theorie rehabilitatiegericht. Elke gedetineerde doorloopt bij binnenkomst een uitgebreide intakebeoordeling waarbij criminogene risico's en behoeften in kaart worden gebracht. Op basis daarvan wordt een Correctional Plan opgesteld: een individueel traject met doelstellingen op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, behandeling en gedragsverandering. Gedurende de straf monitort een casemanager de voortgang en past het plan aan. Bij vrijlating en in de gemeenschap biedt een netwerk van diensten continuïteit. Op papier is dit een doordacht systeem. De problemen beginnen bij de uitvoering. Canada geeft per gedetineerde meer uit dan vrijwel elk ander westers land — het jaarlijkse budget van de CSC overschrijdt inmiddels ruim 3,6 miljard Canadese dollar — maar volgens de Correctional Investigator staan de prestaties daarmee volstrekt niet in verhouding.
’We geven een buitensporig bedrag uit en de resultaten zijn er gewoon niet,’ aldus voormalig Correctional Investigator Ivan Zinger. ’Als we het over elektriciteitsrekeningen hadden, zou dit het equivalent zijn van Canadezen vertellen dat ze de hoogste tarieven ter wereld betalen en toch eindeloos stroomuitval krijgen.’

Meer info
3,90
Binnen beginnen, om buiten te winnen Zinvolle detentie begint waar het oordeel ophoudt

Binnen beginnen, om buiten te winnen Zinvolle detentie begint waar het oordeel ophoudt

Detentie heeft alleen betekenis als het meer is dan straf. Niet als eindpunt, maar als een tussenstation met perspectief. Vanuit zijn eigen levenservaring en professionele praktijk pleit Toon Walravens voor een benadering waarin niet alleen het delict telt, maar vooral de mens daarachter. Zijn visie is helder: echte verandering begint bij ONTMOETEN, OBSERVEREN, ORDENEN, ONDERSTEUNEN, OMGAAN en ONTWIKKELEN.

‘Een plan op papier houdt niemand overeind op een slechte dag. Wat het verschil maakt, is dat er iemand is die blijft.’

Detentie heeft pas zin als het meer is dan straf. Dat klinkt misschien ongemakkelijk. Zeker in een tijd waarin hard straffen vaak makkelijker klinkt dan eerlijk kijken. Maar ik geloof het, sterker nog: ik weet het.

Een straf kan nodig zijn en soms is die onvermijdelijk. Er is leed aangericht en er zijn maatschappelijke grenzen overschreden. Er zijn slachtoffers, soms voor het leven. Er zijn nabestaanden die iedere dag opnieuw wakker worden in een werkelijkheid die nooit meer wordt zoals die was. Daar mag nooit, maar dan ook nooit licht over gedacht worden.

Wanneer detentie uitsluitend bedoeld is om iemand op te sluiten vanwege wat hij verkeerd heeft gedaan, bestaat het risico dat we hem juist vastzetten in precies datgene wat we beogen te doorbreken. Voor mij ligt de kernvraag dus niet in de zwaarte van de straf. Voor mij begint het bij de vraag wat die straf moet betekenen.

Is straf alleen bedoeld om iemand te laten voelen dat hij iets fout heeft gedaan? Of willen we ook dat iemand werkelijk begrijpt wat hij heeft aangericht, verantwoordelijkheid leert dragen en leert hoe hij nooit meer terugvalt in hetzelfde gedrag?

Daar zit voor mij de kern. Detentie is geen eindpunt. Het zou een tussenstation moeten zijn. Een harde, confronterende, soms pijnlijke tussenstop, maar wel een met toekomstperspectief. Een plek waar iemand niet alleen wordt stilgezet, maar waar ook iets in beweging kan komen. Waar je niet alleen wordt geconfronteerd met je daad, maar uiteindelijk ook met jezelf.

En laat ik daar eerlijk in zijn: ik schrijf dit niet van een afstand. Ik weet vanuit ervaring hoe het voelt om gevangen te zitten.

Meer info
3,90
Bouwen aan een ‘Goed Leven’

Bouwen aan een ‘Goed Leven’

Wanneer jongeren ‘in de fout’ gaan, reageert de maatschappij vaak met een roep om strengere beveiliging en vergelding om de samenleving veiliger te maken. Maar wie echt wilt bijdragen aan een veiliger samenleving en recidive wil voorkomen, moet verder kijken dan dat en jongeren kansen bieden zich positief te ontwikkelen.

Zowel wetenschappelijke als praktijkinzichten tonen aan dat alleen straffende of afschrikkende interventies, zonder een therapeutisch karakter en aandacht voor positieve ontwikkeling, het recidiverisico niet verminderen en dit zelfs kunnen vergroten (Loeffler & Nagin, 2022).
Dit raakt aan een dualiteit rondom vrijheidsbeneming van jongeren: om de samenleving te beschermen is het soms nodig iemands vrijheid tijdelijk te beperken, maar dit kan op gespannen voet staan met wat jongeren nodig hebben voor een positieve ontwikkeling. Onderzoek toont aan dat vrijheidsbeneming de ontwikkeling van jongeren kan belemmeren door beperkte onderwijs- en arbeidsmogelijkheden, beperkt contact met andere leeftijdsgenoten die geen delinquent gedrag vertonen, beperkte autonomie, isolatie en stigmatisering (Nowak, 2019). Voorts laat onderzoek zien dat een aanzienlijk deel van de jongeren in detentie kampt met complexe problematiek, waaronder psychiatrische stoornissen, trauma en ontwikkelingsachterstanden (Colins et al., 2010). In dergelijke gevallen is delinquent gedrag zelden een geïsoleerd fenomeen, maar eerder een uitingsvorm van bredere psychosociale disfuncties en maatschappelijke problemen (zoals armoede). Een eenzijdige focus op risicoreductie en vergelding doet dan onvoldoende recht aan de onderliggende mechanismen die het gedrag in stand houden.
Bovendien herkennen professionals in de praktijk een terugkerend patroon: jongeren leren binnen een gecontroleerde setting om risico’s te vermijden, maar slagen er meestal onvoldoende in om buiten die context in de maatschappij een stabiel, prosociaal leven op te bouwen. Daarmee komt een fundamentele vraag naar voren: is enkel het voorkomen van nieuw delinquent gedrag gericht op risicoreductie voldoende, of vraagt effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit en (re)socialisatie om een bredere, meer context- en krachtgerichte benadering?

Van risicobeheersing naar een brede krachtgerichte benadering
Tegen deze achtergrond wint het Good Lives Model of Offender Rehabiliation (GLM) aan invloed. Dit model, oorspronkelijk ontwikkeld binnen de volwassen forensische context (Ward, 2002), is de afgelopen jaren steeds vaker toegepast in allerlei doelgroepen, waaronder adolescenten (Fortune, 2018). Het GLM vertrekt vanuit een ander uitgangspunt dan traditionele risicomodellen zoals het Risk-Need-Responsivity (RNR) model van Bonta en Andrews (2017).
Het RNR-model stelt namelijk dat effectieve interventies binnen het (jeugd)strafrecht zich primair moeten richten op risicofactoren die direct samenhangen met recidive, zoals antisociale attitudes, school-werkproblemen, gezinsproblemen, criminele leeftijdsgenoten en middelenmisbruik (Bonta & Andrews, 2017). Het GLM daarentegen benadrukt dat een effectieve aanpak een dubbele focus vereist: zowel het verminderen van recidiverisico als het bevorderen van het welzijn van degene die een delict heeft gepleegd (Ward, 2002; Ward & Maruna, 2007). Werken aan een beter leven kan het recidiverisico duurzamer verlagen door te focussen op het perspectief van een gelukkiger en prosociaal leven, in plaats van louter het vermijden van een risicovol en antisociaal bestaan. De aanname is: wanneer men niet alleen werkt aan (door professionals bepaalde) risicofactoren, maar ook aan persoonlijk relevante levensbehoeften en welzijn van de jongeren (of volwassenen) zelf, kan dit de behandelmotivatie vergroten e 

Meer info
3,90
Criminaliteit - Nederland in cijfers

Criminaliteit - Nederland in cijfers

Nederland kende een lange periode van oplopende criminaliteitscijfers, gevolgd door een van de meest opvallende dalingen in West-Europa. Wie vandaag in Nederland woont, leeft statistisch gezien veiliger dan in de jaren negentig. Maar de aard van criminaliteit verandert: vermogensmisdrijven dalen terwijl drugsgerelateerd geweld en ondermijning structurele problemen vormen.

Dit rapport brengt vijf decennia criminaliteitsstatistiek in kaart, van geregistreerde aangiftes en rechtszaken tot de samenstelling van de gedetineerdenpopulatie en demografische kenmerken van daders. Alle gegevens zijn ontleend aan officiële bronnen: CBS, WODC, Openbaar Ministerie, Rechtspraak.nl en de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1. Geregistreerde criminaliteit: 50 jaar in vogelvlucht
Het CBS registreert misdrijven al sinds 1948. Vanaf de vroege jaren zestig steeg de criminaliteit sterk: van circa 13 misdrijven per 1.000 inwoners in 1960 naar een historisch hoogtepunt van 93 per 1.000 inwoners in 2001–2002. Daarna volgde een spectaculaire, aanhoudende daling. In 2024 registreerde de politie 812.000 misdrijven, wat neerkomt op 45 per 1.000 inwoners — vergelijkbaar met het niveau van 1980.

Bijna 60% van alle misdrijven betreft vermogenscriminaliteit: diefstal, oplichting en fraude. Het aantal woninginbraken daalde spectaculair: van 71.000 in 2014 naar 22.000 in 2024. Geweldsmisdrijven (inclusief seksueel geweld) bedroegen in 2024 zo’n 78.000 gevallen — een lichte stijging ten opzichte van 2023.

2. Delictensamenstelling
De mix van delicten verschoof aanzienlijk over vijf decennia. Vermogensdelicten domineren nog altijd, maar hun aandeel daalt. Drugs- en wapenmisdrijven en misdrijven gerelateerd aan georganiseerde criminaliteit worden proportioneel zwaarder in het totaalplaatje. 

3. Van aangifte tot rechtszaal
Niet elk geregistreerd misdrijf leidt tot een vervolging. Het Openbaar Ministerie (OM) stroomde in 2022 in totaal meer dan 300.000 strafzaken in (misdrijven en overtredingen), waarvan 179.600 nieuwe misdrijfzaken. In vergelijking: in 2012 waren dit er nog 213.000 — een daling van bijna 16%. In 2023 daalde de instroom licht met enkele procenten tegenover 2022.

Meer info
3,90
Dankzij Ed

Dankzij Ed

‘Jongen (13) gedumpt op een vakantiepark zonder begeleiding!’, tetterde een krantenkop onlangs. Het artikel beschrijft het geval van een jongen met gedragsproblemen die door jeugdbeschermers in zijn uppie in een vakantiehuisje werd gestationeerd. In Groningen. Schande! Zijn mensenrechten geschonden! Crimineel gewoon! Zo, daarmee is meteen de link gelegd met het thema van dit nummer.

Het draait hier om het verhaal van een pre-puberale Groningse knaap die maar niet wilde deugen. Hij zat drie maanden in detentie. Zo vertelt ons het nieuwbericht. Waarom hij daar zat, is niet opgehelderd. Vast iets met privacy. Toen de knul het cachot uit mocht, moest hij ergens heen. Hij ging weer bij zijn moeder wonen, met een enkelband om zijn slungelige benen - de straf was nog niet helemaal uitgezeten. Dat ging al snel goed mis. De dertienjarige moest met spoed weer vertrekken. Omdat de Groningse jeugdbeschermers geen geschikte plek konden vinden, kwam hij terecht in het vakantiepark. Natuurlijk deugt dat voor geen kanten. Toch is de vraag hier wat mij betreft wel gerechtvaardigd: is de reflex om de jeugdbeschermers de roetveegpiet toe te schuiven wel zo terecht?

Weten we wel zeker dat er in het systeem op zo´n korte termijn heus een betere, veiliger plek te vinden was voor dit ontheemde kind? Is de klacht in het krantenartikel wel aan het juiste adres gericht? Jaren geleden was ik gedragswetenschapper bij een kamertrainingscentrum. Het is een verhaal in zwart-wit uit de oude doos. Enkelbanden moesten nog worden uitgevonden. Vakantiehuisjes bestonden nog nauwelijks. Centerparcs heette nog Sporthuis Centrum en was slechts toegankelijk voor de witte bovenklasse. Herinner je dat nog? Zo ja, dan ben je werkelijk stokoud. We moesten het land opbouwen.
We hadden geen tijd voor vakantie. Bid en werk (ora et labora). In alle ernst. Zonder te lachen. Dat was het leven. Rechten van de mens bestonden slechts uit ‘brood en spelen’. Alleen spelen was er niet bij. Te leuk. Dus brood, kurkdroog brood, dat is het enige wat we hadden. Er werd een jongen van zestien bij ons aangemeld.

Ik ben zijn naam vergeten. Ik noem hem nu maar Jorrit. Hij had namelijk een matje in zijn nek. Voor de niet-schaatsliefhebber: Google Jorrit, mat en Olympische Spelen. Dan snap je het. Jorrit zou rechtstreeks vanuit een nabijgelegen justitiële instelling bij ons in het kamertrainingscentrum komen wonen. Hij had er bijna twee jaar verbleven. En helemaal niks geleerd. Zijn strikte dagelijkse ritme werd bepaald door anderen. Dus had Jorrit geen idee hoe je je in het echte leven moest gedragen.

Meer info
3,90
Het gesprek aangaan: ook als het moeilijk is

Het gesprek aangaan: ook als het moeilijk is

In de overige* forensische zorg verblijven veel cliënten in het kader van een voorwaardelijk strafdeel of een voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Zij worden geplaatst vanuit het gevangeniswezen en door de reclassering. In uiteenlopende woonvormen worden zij ondersteund bij hun re-integratie in de samenleving.

Kenmerkend voor deze situatie is de relatief grote vrijheid die cliënten genieten: in forensisch beschermd begeleid wonen zijn zij vele uren per dag buiten het zicht van begeleiders, en bij de reclassering zijn ze doorgaans hele dagen niet in beeld. Dit roept een fundamentele vraag op: hoe kan een professional iemand die in een onvrijwillige positie contact met de hulpverlener moet onderhouden, werkelijk ondersteunen bij het nakomen van afspraken en het werken aan een delictvrije toekomst? De doelen zijn helder — het verlagen van de kans op herhaald delictgedrag en het bieden van perspectief op een volwaardig en zinvol bestaan — maar de weg ernaartoe verloopt zelden rechtlijnig.
De aanpak van recidive vraagt van de professional dat hij balanceert tussen zorg, veiligheid en autonomie (Krechtig, 2015). Daarin schuilt een fundamentele spanning: de professional is zowel begeleider als toezichthouder en treedt, indien nodig, ook op als handhaver.
In de praktijk blijkt het daadwerkelijk voeren van het moeilijke gesprek een terugkerend struikelblok. Wanneer een cliënt voorwaarden overtreedt of signalen afgeeft die wijzen op voortgezet crimineel handelen, blijven professionals opvallend vaak zwijgen. Dit artikel onderzoekt waarom dit het geval is, wat de kosten zijn van zwijgen en waarom het aangaan van het gesprek — ook als het moeilijk is — een essentiële professionele competentie vormt. Onderzoek heeft aangetoond dat een eenzijdige benadering primair gericht op risico en controle minder effectief is dan een aanpak die naast controle ook aandacht heeft voor responsiviteit, motivatie en de werkalliantie (Menger & Donker, 2016; Sturm, 2026). * Forensische zorg is geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijk gehandicaptenzorg die onderdeel zijn van een straf of maatregel. Tbs met dwangverpleging is de zwaarste vorm van forensische zorg. Alle andere vormen heten overige forensische zorg.

Handelingsverlegenheid: een herkenbaar fenomeen
Binnen forensisch beschermd begeleid wonen is het een veelgehoord signaal: professionals die vermoeden of zelfs constateren dat een cliënt zich niet aan afspraken houdt, vinden het moeilijk dit bespreekbaar te maken. De reactie “we zijn toch geen politie?” klinkt herkenbaar en illustreert een dilemma dat door velen in het forensisch sociale werk wordt gevoeld. De vrees bestaat dat confrontatie leidt tot afhaken van de cliënt en een aantasting van de werkalliantie. Soms wordt de oplossing gezocht in uitplaatsing. Maar het daadwerkelijke gesprek blijft dan achterwege.

Dit verschijnsel heeft een naam: handelingsverlegenheid. Het wordt omschreven als het onvermogen om adequaat te handelen in situaties die dat wél vereisen, voortkomend uit aarzelingen bij de professional of uit structurele factoren binnen de organisatie. Handelingsverlegenheid kent meerdere oorzaken. Op het niveau van de individuele professional speelt onzekerheid over de eigen competenties: ‘Heb ik de signalen wel goed geïnterpreteerd?’ en ‘Beschik ik over voldoende vaardigheden om dit gesprek goed te voeren?’ Op het relationele niveau spelen vragen als: ‘Kan ik iemand begrenzen als we nog geen goede relatie hebben opgebouwd?’ En op het organisatieniveau ontbreekt soms de ruggensteun die professionals nodig hebben om moeilijke beslissingen te durven nemen. Het gevolg is dat signalen onbesproken blijven, terwijl de cliënt verder afdrijft (Grenswijs, z.d.).

Meer info
3,90
Hoe Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland van detentie meer maken dan vrijheidsberoving

Hoe Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland van detentie meer maken dan vrijheidsberoving

Wanneer mensen in andere landen horen hoe gevangenissen in Scandinavië zijn ingericht, reageren zij vaak met ongeloof. Gevangenen die zelf koken, muziek opnemen in een volwaardige studio, dagelijks de stad in mogen voor werk of opleiding, of leven in een open inrichting zonder sloten en hekken — het lijkt eerder op een film dan op werkelijkheid. Toch is dit geen utopie. Het is de alledaagse praktijk in het strafrecht van Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland.

De vier landen delen een gemeenschappelijk uitgangspunt dat radicaal verschilt van het dominante model in de meeste andere westerse landen: de straf bestaat uit het verlies van vrijheid. Niets meer, niets minder. De jaren in detentie zijn geen aanvullende bestraffing door  ontbering, verveling of vernedering — ze zijn een opdracht om iemand zo goed mogelijk voor te bereiden op terugkeer in de samenleving. Die filosofie heeft vergaande gevolgen voor alles wat er binnen de gevangenismuren gebeurt: van de fysieke inrichting van cellen tot het dagprogramma, van de rol van bewaarders tot de samenwerking met externe instanties.
Dit artikel gaat in op de vraag hoe deze vier landen het verblijf in detentie voorzien van zinvolle activiteiten, en in welke mate zij richting en perspectief bieden op het leven na de gevangenis. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de (mooie) voorbeelden — want die zijn er volop — maar ook naar de spanningen, de schaduwkanten en de recente druk op deze modellen.

Normalisatie als leidend beginsel
Het fundament van het Scandinavische detentiemodel wordt in de criminologische literatuur aangeduid als het normaliseringsbeginsel. Dit houdt in dat gedetineerden zoveel mogelijk (moeten) leven zoals mensen in de vrije samenleving — binnen de grenzen die de veiligheid toelaat. De Finse Wet op de Tenuitvoerlegging van Straffen (2002) formuleert het scherp: de straf is uitsluitend het verlies van vrijheid. Andere beperkingen mogen alleen worden opgelegd voor zover de veiligheid van de detentie en de orde in de inrichting dit vereisen.
Deze filosofie werkt door in verrassend concrete details. In Zweedse gevangenissen mogen gedetineerden vergaderen met de directeur om hun standpunten kenbaar te maken. In Noorwegen vinden jaarlijkse bijeenkomsten plaats waarbij gedetineerden inspraak hebben in het beleid van de inrichting. In Denemarken beschikken gevangenissen over privébezoekruimtes om familiecontact — ook intieme contacten — te onderhouden. In Finland kunnen gedetineerden na zes maanden een aanvraag indienen voor verlof, waarbij zij tot zes dagen naar huis kunnen gaan. Het gaat er steeds om dat de gevangene een mens blijft die banden onderhoudt met de buitenwereld en zichzelf als toekomstig lid van de samenleving kan blijven zien. Nils Öberg, voormalig directeur-generaal van de Zweedse gevangenisdienst Kriminalvården, verwoordde het treff end’: Onze rol is niet om te straffen. 
De straf is de gevangenisstraf: zij zijn van hun vrijheid beroofd. De straf is dat zij bij ons zijn.’ Die mentaliteit kleurt de gehele bedrijfsvoering. Bewaarders worden opgeleid tot begeleiders die actief bijdragen aan de re-integratie van gedetineerden, in plaats van bewakers die primair gericht zijn op het handhaven van orde.
De gemiddelde detentieduur is in alle vier landen opvallend kort: in Zweden 4,7 maanden, in Denemarken 5,4 maanden, in Finland 5,7 maanden en in Noorwegen 6,6 maanden. Dit korte tijdperspectief maakt het des te urgenter om elke dag zinvol te benutten.

Noorwegen: rehabilitatie als staatsopdracht 
Halden en Bastøy: twee gezichten van hetzelfde systeem Noorwegen is het meest geciteerde voorbeeld van humane detentie, en dat is niet voor niets. In 1998 nam het land een fundamentele beleidsbeslissing: de focus verschoof van vergelding naar rehabilitatie. De Noorse Kriminalomsorgen omschrijft zijn doel sindsdien als het terugbrengen van gedetineerden in de samenleving ’in betere staat dan zij binnenkwamen’. De recidivecijfers geven reden tot optimisme: slechts 20% van de vrijgelaten gedetineerden wordt binnen twee jaar opnieuw gearresteerd. Dit is een van de laagste percentages ter wereld.

Meer info
3,90
Huis van herstel Twente - ‘Dit was mijn reddingsboei’

Huis van herstel Twente - ‘Dit was mijn reddingsboei’

Dit artikel beschrijft beknopt de werkwijze van HvHT en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek door Hogeschool Rotterdam lectoraat Vakmanschap Forensische Zorg naar de mate waarin gedetineerden binnen HvHT worden voorbereid op hun re-integratie. Ook komt deelnemer Peter aan het woord, hij vertelt over zijn ervaringen en wat HvHT voor hem heeft betekend.

Huis van Herstel Twente
HvHT is een kleinschalige laag beveiligde detentievoorziening, gelegen in het groen op een steenworp afstand van de hoofdlocatie van PI Almelo, De Karelskamp. HvHT is er voor mannelijke gedetineerden, die bij HvHT aangeduid worden als ‘deelnemers’. Gemotiveerde gedetineerden uit alle Penitentiaire Inrichtingen (PI’s) in Nederland kunnen in de laatste fase van hun detentie (maximaal de laatste 18 maanden voor het einde van hun detentie) in aanmerking komen voor plaatsing in HvHT in Almelo. Voorwaarde is dat zij na uitstroom gaan wonen in een van de Twentse gemeenten. Binnen HvHT werken zij, met ondersteuning van de lokale gemeenten en ketenpartners, aan hun re-integratie. Het doel is dat zij na hun vrijlating delictvrij kunnen participeren in de maatschappij en kunnen functioneren als burger, partner, vader en/of werknemer.

23.000 gedetineerden
Jaarlijks keren ongeveer 23.000 gedetineerden na detentie terug in de maatschappij (Berghuis et al., 2024). Veel van hen kampen met complexe problematiek (Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2017); bij het merendeel betreft dit een verscheidenheid aan psychosociale en psychische problematiek, verslavingsproblematiek, een licht verstandelijke beperking (lvb) en/of is er sprake van schulden. De recidivecijfers na detentie liggen in Nederland al decennialang op hetzelfde hoge niveau. Binnen twee jaar na vrijlating recidiveert 47% van de exgedetineerden en belandt 27% weer in de cel (Dienst Justitiële Inrichtingen [DJI], 2021). Voldoende reden om een innovatief detentieconcept te ontwikkelen dat bijdraagt aan een succesvolle reintegratie v n gedetineerden, en daarmee aan het terugdringen van de kans op nieuw delictgedrag.
HvHT is een innovatief concept, waarmee in Twente concreet invulling wordt gegeven aan de afspraken in het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie. Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers’ uit 2019 (Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2019). In dit akkoord hebben de drie belangrijkste ketenorganisaties, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de drie reclasseringsorganisaties (3RO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in het kader van re-integratie – vastgelegd dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het realiseren van een succesvolle re-integratie van gedetineerden.
HvHT is een partnerschap van de PI Almelo (DJI), de drie reclasseringsorganisaties (3RO) en de veertien Twentse gemeenten. Het is daarmee een netwerkorganisatie. HvHT kent een regionale aanpak en werkt samen met lokale instanties, zoals forensische ggz- en begeleid wonen organisaties. HvHT wil andere (detentie-)instellingen en gemeenten inspireren om gebruik te maken van deze werkwijze of elementen daarvan.

Kracht- en re-integratiegerichte werkwijze
De aanpak van HvHT is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en praktijkervaringen en is in de praktijk van HvHT ontwikkeld en beproefd. De werkwijze is onderbouwd, beschreven en geëvalueerd door Hogeschool Rotterdam, lectoraat Vakmanschap Forensische Zorg. Lees meer over de werkwijze in de blauwdruk ‘Herstelgerichte detentie: een op krachten- en re-integratiegerichte werkwijze’ (Valenkamp et al., 2026).

De basismethodiek van de werkwijze is Krachtwerk, waarbij de eigen kracht en regie van deelnemers centraal staan (Wolf & Jonker, 2021) . Deelnemers werken aan op maat gerichte doelen ten aanzien van huisvesting, werk of opleiding en krijgen waar nodig behandeling voor bijvoorbeeld verslaving of trauma. Ook wordt ingezet op herstel van contact met familie, wat de kans op succesvolle terugkeer vergroot. Aan de hand van een fasenmodel bouwen deelnemers stap voor stap meer vrijheden en verantwoordelijkheid op. Zo kunnen zij geleidelijk wennen aan het leven buiten. Ook het gezin van de deelnemer kan stapsgewijs wennen aan de terugkeer van hun partner of vader. Tegelijk wordt samengewerkt met externe organisaties, zodat ondersteuning na detentie direct doorloopt. De werkwijze vindt plaats binnen een kleinschalige en laagbeveiligde detentieomgeving. Veiligheid wordt vooral bereikt via goede relaties tussen medewerkers en deelnemers (relationele beveiliging), met vertrouwen en eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt (Souverein et al., 2023). Dit ondersteunt een veilige terugkeer in de samenleving.

Meer info
3,90
Muzikale representaties van detentie - Gecomponeerde wegen naar desistance

Muzikale representaties van detentie - Gecomponeerde wegen naar desistance

Oftewel hoe muziek — zowel als kunstvorm als praktijk — ervaringen van gevangenschap verbeeldt én kan bijdragen aan het proces van desistance (het stoppen met criminaliteit).

Openingstonen van de smartlap
‘Keilebak, moet je er nog één of ben je al lazarus? Nee, geef die “kopstoot” maar van mij, dat heeft hij nog te goed’, klinkt het luid achter in de kroeg. De kastelein vangt het geroep op, grijpt zonder woorden naar een fles Ketel 1 – beter bekend als het nat van Schiedam – en zet een tot de rand toe gevuld borrelglaasje op de toog. Even later schuift ze twee vers getapte pilsjes hun kant op. Er wordt geknikt, bedankt en geproost. Tijdens mijn adolescentie socialiseerde ik in verschillende bruine café’s, waar een ‘ons kent ons’- sfeer heerste en ‘poffen’ was toegestaan. Op de vierkante houten tafeltjes lagen Perzische tafelkleedjes, met daarop een asbak vol peuken. Er heerst een grote mate van vrijheid. Geïnteresseerden kunnen meespelen met de zwarte lotto en soms is er aanloop van handel, variërend van uit luxe vleeswaren en gekopieerde cd’s tot jassen en aftershaveluchtjes.
In andere kroegen wordt er gegokt met dobbel- en kaartspellen, waarbij ook klanten met een detentieverleden soms hun geluk beproeven. Ze pronken niet met hun criminele verleden, maar binnen de Muzikale representaties van detentie: ons-kent-ons gemeenschap is hun status algemeen bekend. Ze zijn berucht uit verhalen en gul met het geven van rondjes, wat hun in de café’s een zeker aanzien verschaft. Bij sommige gasten kun je er bovendien niet omheen, omdat hun namen en achtergrond uitgebreid beschreven staan in misdaadboeken of in het tijdschrift Panorama.
Desondanks is de sfeer gemoedelijk en, naarmate de avond vordert, mogen klanten zelf achter de bar de muziek bedienen. Hoe later het wordt, hoe melodramatischer soms de muziekkeuze: smartlappen wisselen elkaar in rap tempo af. Mijn interesse wordt al snel gewekt wanneer ik het sentimentele en meezingbare karakter van de muziek leer kennen, vaak begeleid door ‘smartlapinstrumenten’ zoals de accordeon en het orgel, wat een weemoedig gevoel van volksleven oproept. Grote namen als Willy Alberti, Zangeres Zonder Naam en André Hazes klinken met regelmaat door de speakers. Enerzijds hoor ik gezellige meezingers, afgewisseld met liederen die ingaan op liefdesverdriet, eenzaamheid en het verlies van dierbaren. Voor de scherpe luisteraar valt ook op dat sommige smartlappen samenhangen met periodes van detentie. In mijn vrije tijd ben ik de liederen van deze artiesten aandachtiger gaan beluisteren en ontdekte ik dat die detentieperiode in de teksten vooral gepaard gaat met schaamte, verdriet en eenzaamheid.
 
Compassie als refrein
Tijdens mijn werktijd als penitentiair inrichtingswerker (PIW’er) wordt het levenslied door oudere gedetineerden soms ten gehore gebracht. Een van de gedetineerden met wie ik veel optrek, vertelt mij op zijn cel dat hij gesocialiseerd is op het woonwagenkamp, waar zingen en het bespelen van instrumenten veel voorkomt. Ook op de afdeling zingt hij dagelijks uit volle borst het refrein van De Dievenwagen. Daarbij kijkt hij mij knipogend aan en haalt, leunend over de balustrade van de ring, uit met de volgende zin: “Denk maar alleen wat hij heeft gedaan, dat kan mij morgen ook gebeuren!”

Meer info
3,90
Peter komt terug, maar hoe?

Peter komt terug, maar hoe?

Nadat hij een paar biertjes had gedronken voelde hij zich stukken beter. Een baantje zoeken, maar waar? Hij liep met zijn weekendtas in de hand langs een paar uitzendbureaus en keek wat er in de aanbieding was. Pompbediende, medewerker productie, wat hij zag leek hem niet bij zijn niveau te passen. Callcenter medewerker misschien? Maar wat was zijn niveau eigenlijk? Vwo-er, mislukte student, ex-gedetineerde. Vier weken onvoorwaardelijk had hij uitgezeten, wat hij een ongehoord zware straf vond voor wat hij had gedaan. Nou ja, wat wist hij er ook van? Sinds zijn eindexamen vwo was hij niet veel opgeschoten met zijn leven.

Die ochtend was Peter bijna met tegenzin naar buiten gestapt uit het Huis van Bewaring. De deur was achter hem dichtgeslagen als een kluis. Zijn moeder zat in haar auto op de parkeerplaats, vlak tegenover de ingang van de bajes. Hij zag de rook van haar sigaret uit het raampje recht naar boven stijgen in de koude vrieslucht.
Hij wist niet of zij hem had opgemerkt, maar toen hij naar haar auto liep, stapte ze uit, liep om de auto heen, opende de kofferbak en hield het portier voor hem open. Het gebaar was hoffelijk en tegelijkertijd voelde hij een afstandelijkheid die hem een koude rilling bezorgde. Hij gaf haar een vluchtige zoen op de wang, gooide zijn weekendtas achterin en stapte naast haar voor in de auto.
‘Dag mam’, zei hij. ‘Terug in de echte wereld’. Ze sprak nu eindelijk, terwijl ze hem voor het eerst vluchtig aankeek. Ze nam een laatste trek aan haar sigaret en maakte een heftige beweging met haar hand, waardoor de brandende peuk op de vloer van de auto viel. Haastig pakte ze hem op, opende het raampje en gooide hem naar buiten. ‘Dat kan er ook nog wel bij’, zei ze. ‘Waarbij?’ ‘Bij jou.’ 
Hij haalde zijn schouders op. ‘We zijn weer thuis’, mompelde hij. Hij had zijn moeder gevraagd wat ze van plan was te gaan doen. ‘Want ik zou wel weer eens even lekker willen douchen. En behoorlijk eten natuurlijk.’ ‘Naar huis? Je vader ziet je aankomen’, zei ze. ‘Je weet hoe hij is. Nee, we zijn nu wel aan de grenzen van onze mogelijkheden gekomen. Ik ga je naar het station brengen, ik geef je wat geld mee en dan moet je maar eens zien dat je zelfstandig wordt en een baantje vindt. En weer aan de studie natuurlijk!’ Zijn moeder was snel het parkeerterrein afgereden, de weg op in de richting van het centrum. Zij zaten zwijgend naast elkaar. Bij het station stopte ze, trok stevig de handrem aan.
‘Zo, tot hier en niet verder.’ Ze pakte een envelop uit haar tas en gaf die aan hem. ‘Hier kun je de eerste dagen wel mee doorkomen totdat je een baantje hebt gevonden. En pak in ’s hemelsnaam je studie snel weer op! Laat maar eens wat van je horen als het beter met je gaat.’ Hij pakte de envelop aan, maakte hem open en zag een paar briefjes, hooguit genoeg om een paar dagen van te eten. Op zijn rekening stond ook niet veel meer. Hij gaf zijn moeder een kus. ‘Dank je mam’, zei hij.

Meer info
Gratis
Preventie en repressie in balans

Preventie en repressie in balans

Ze lopen nog met een rugzak om hun schouders, maar dragen al het gewicht van een systeem dat ze te vaak heeft laten vallen. Tieners die vapen op straat, foto’s liken van enkelbanden, door een criminele organisatie worden misbruikt om klusjes te doen én hun eerste contact met justitie ruiken als avontuur. Totdat professionals in Arnhem-Oost besluiten dat het anders kan.

Geen project met PowerPoints of protocollen, maar met aanwezigheid. Met ogen, oren en hart in de wijk. Jongerenwerkers als Nabil El Malki en Vasilis Zachos zijn geen beleidsregel, maar een baken. Hun organisatie is ‘grassroots’, ze komen uit de wijken, kennen de context en kennen iedere jongen bij naam. Eigenlijk komen ze op voor hun jongeren en zijn een bottum-up beweging. Ze weten waar het misgaat thuis, op school of op straat en zijn er als het misgaat. “We zijn er onvoorwaardelijk,” zeggen ze. En dat maakt verschil.
Want Arnhem koos niet voor praten óver jongeren, maar mét hen. Burgemeester Marcouch zag het gevaar van eilandjes en zette iedereen aan één tafel. Onderwijs, zorg, politie, jongerenwerk en straatcoaches niet om te vergaderen, maar om verantwoordelijkheid te delen. Het resultaat? 35 procent minder jongeren die voor het eerst met justitie in aanraking komen. Als criminoloog noem ik het een kwestie van “nabijheid”. Je kunt pas opvoeden als je in de buurt bent. Niet achter een bureau, maar op het plein, online, bij de sporthal. Niet als agent of ambtenaar, maar als mens. En opvoeding blijft, zoals Mike Loef van het Nederlands Jeugdinstituut benadrukt, de eerste verdedigingslinie.
Ouders willen het beste voor hun kind, maar voelen vaak schaamte om hulp te vragen. Wie écht iets wil doen tegen jeugdcriminaliteit, moet dus óók durven investeren in gezinnen. Maar investeren alleen is niet genoeg. Voor de aanpak is het van belang om te kiezen voor interventies die inspelen op het tegengaan van risicofactoren en die beschermende factoren versterken. Verder moet er balans zijn tussen preventie en repressie. Dat laatste heb je vooral nodig om jongeren te laten zien dat het plegen van strafbare feiten ook een keerzijde heeft. Dat het over het algemeen meer kost dan het oplevert. 
Preventie zonder repressie is tandeloos, maar repressie zonder preventie is eindeloos. Juist in die combinatie schuilt de kracht van de Arnhemse aanpak. Arnhem laat zien wat er gebeurt als je meerjarig kiest voor interventies die ertoe doen en als je investeert in vredestijd, zoals de jongerenwerkers het noemen. Niet wachten tot het misgaat, maar elke dag investeren in vertrouwen, kansen én grenzen. Andere gemeenten kijken met verhoogde interesse naar Arnhem. Maar misschien is dat precies het punt: het werkt pas als je durft te kijken. Naar de straat, de gezinnen, de jongeren en soms ook in de spiegel. De professionals in Arnhem bewijzen dat de strijd tegen jeugdcriminaliteit niet gewonnen wordt met harde hand of zachte woorden alleen, maar met de moed om preventie en repressie in balans te brengen.

Meer info
3,90
Rots en water en jeugdcriminaliteit

Rots en water en jeugdcriminaliteit

Het Rots en Water-programma wordt steeds vaker ingezet, niet alleen op scholen maar ook in de jeugdzorg en preventietrajecten. Onderzoeken *(onder andere uitgevoerd door de Universiteit van Utrecht* zie www.rotsenwater.nl) tonen aan dat de training onder andere de zelfbeheersing en het zelfvertrouwen significant vergroot. In de context van criminaliteit helpt het jongeren om de cruciale 'stopmomenten' te herkennen voordat een situatie escaleert en de weg terug te vinden naar de maatschappij.

De straat als arena: waarom praten niet meer genoeg is
De krantenkoppen van 2026 liegen er niet om: de verharding onder jongeren neemt toe, de drempel naar zware criminaliteit wordt lager en de leeftijd van daders daalt gestaag. Waar we voorheen spraken over wajongensstreken, hebben we nu te maken met een digitale en fysieke realiteit waarin 'snelle winst' en 'status' de morele kompassen hebben vervangen. Maar achter de stoere taal en de bivakmutsen schuilt vaak een fundamenteel gebrek aan zelfbeheersing en empathie.
Hoe keren we het tij? Het antwoord ligt niet in een dikker wetboek, maar in de psychofysieke kracht van het Rots en Water-programma.

De verleiding van het snelle geld
De oorzaken van de huidige stijging in de jeugdcriminaliteit zijn complex, maar komen vaak neer op een samenspel van drie factoren:

• digitale desensitisatie: door de constante stroom aan gewelddadige content en de 'game-ificatie' van misdaad (denk aan geldezels en online oplichting) vervaagt de grens tussen online bravoure en de fysieke consequenties van een daad;
• de paradox van erkenning: jongeren die op school of thuis buiten de boot vallen, zoeken hun identiteit in de hiërarchie van de straat. Hier is angst synoniem aan respect;
• het onrijpe puberbrein: biologisch gezien is de prefrontale cortex – het deel van de hersenen dat impulsen beheerst – bij deze jongeren nog volop in ontwikkeling. In een wereld die 24/7 prikkels afgeeft, schiet de remweg simpelweg tekort.

Van weerstand naar veerkracht
In dit spanningsveld biedt Rots en Water een tegenwicht dat verder gaat dan een gesprek in een behandelkamer of een repressief begeleidingstraject. De methodiek dwingt jongeren om uit hun hoofd en in hun lichaam te komen. In plaats van te praten over agressie, laat het hun voelen wat agressie doet met hun gevoel van ‘cool’.
Wanneer een jongere leert om als een 'Rots' te staan, gaat dat niet over onverzettelijkheid tegenover de politie, maar over de interne kracht om 'nee' te zeggen tegen de groepsdruk van de vriendengroep. Wanneer ze de 'Water'-houding aannemen, leren ze niet om zwak te zijn, maar om contact te maken met hun omgeving en de impact van hun gedrag op een ander te voelen. Het helpt hen om de tijd tussen een impuls en een actie te vergroten. Dat is belangrijk, want zowel in de online- als de offlinewereld worden keuzes en beslissingen (te) snel genomen.

De cruciale schakel: de trainer als spiegel en baken
Een methodiek is op papier slechts een verzameling oefeningen; de werkelijke transformatie vindt plaats in de interactie. In mijn nieuwe boek, Rots en Water Wereldwijd - autonomie en verbondenheid - een universele taal (publicatiedatum 12 juni 2026, Uitgeverij SWP), ga ik dieper in op deze dynamiek. De effectiviteit van het programma valt of staat namelijk met de uitvoerder. Hoe treed je in contact met een jongere die de wereld als vijandig beschouwt?

De eisen aan een uitvoerder zijn hoog:
• authenticiteit en presentie: jongeren in de jeugdcriminaliteit hebben een feilloze antenne voor iemand die niet ‘echt’ is. Een trainer moet fysiek en mentaal aanwezig zijn, een baken van rust (Rots) in de storm van hun emoties;
• psychofysiek vakmanschap: een trainer moet niet alleen de taal van het woord spreken, maar ook de taal van het lichaam. Door zelf gecentreerd te  blijven, bied je de jongere een veilig kader om hun eigen spanning te onderzoeken en tot rust te komen. Rust en ontspanning correleren sterk met een gevoel van veiligheid en vormen de basis van een effectieve begeleiding.

Meer info
3,90
Samenwerken aan zinvolle detentie - Geloof in herstel

Samenwerken aan zinvolle detentie - Geloof in herstel

Dit artikel is geschreven door Judith den Besten. Als medewerker Marketing en Communicatie bij Gevangenenzorg Nederland vertelt ze over hoe gedetineerden en hun families worden ondersteund bij herstel, persoonlijke groei en een succesvolle terugkeer naar de samenleving.

Terwijl het gevangeniswezen onder druk staat en recidive steeds vaker in het nieuws komt, laat Gevangenenzorg Nederland zien dat detentie ook ruimte biedt voor persoonlijke groei en een stabiele terugkeer. Vanuit het geloof in herstel krijgen gevangenen een nieuwe kans, terwijl familie steun ontvangt via Aandacht voor Achterblijvers.

Achter deze werkwijze ligt een duidelijke visie: echte verandering begint bij aandacht, verantwoordelijkheid en verbinding. Straf alleen is niet voldoende om herhaling te voorkomen; juist investeren in herstel, relaties en perspectief maakt het verschil. Maar hoe zorgt Gevangenenzorg ervoor dat de tijd in detentie écht zinvol wordt ingevuld?

Door een luisterend oor
De bezoekvrijwilligers van Gevangenenzorg bieden gevangenen een luisterend oor en emotionele steun. De gesprekken vinden buiten reguliere bezoektijden plaats, zodat het familiebezoek ongemoeid blijft. De professionele begeleiding van maatschappelijk werkers waarborgt een veilige en effectieve rol van de vrijwilliger.

Het effect van deze bezoeken komt in de praktijk duidelijk naar voren. Danny raakte tijdens zijn detentie alles kwijt: zijn werk, zijn relaties en zijn toekomstperspectief. Toen hij in contact kwam met een vrijwilliger van Gevangenenzorg, was hij in eerste instantie sceptisch. Toch bleek het wekelijkse bezoek al snel een keerpunt. Niet door adviezen of oordelen, maar door de consistente aanwezigheid voelde Danny zich weer mens. Het contact gaf hem ruimte om stil te staan bij zijn verleden, verantwoordelijkheid te nemen en stappen te zetten richting een ander leven na detentie. Geloof in herstel werd voor hem concreet: hij ontdekte dat verandering mogelijk is, ook achter de muren van de gevangenis.

Door het laagdrempelige en vertrouwelijke contact ervaren gevangenen zoals Danny minder eenzaamheid, meer zelfvertrouwen en neemt de invloed op hun eigen keuzes toe. Zo draagt het bezoekwerk van Gevangenenzorg bij aan herstel tijdens detentie en vergroot het de kans op een succesvolle terugkeer in de samenleving.

Door perspectief op werk en toekomst
Werk vormt een belangrijke factor in het voorkomen van recidive. De Cursus ArbeidsOriëntatie bereidt gevangenen voor op participatie in het arbeidsproces na vrijlating. In individuele gesprekken met een vrijwilliger kijken deelnemers door middel van een werkboek naar hun kwaliteiten, motivatie en werkervaring. Ze onderzoeken welke banen bij hen passen en werken aan een passend cv. Na de cursus is ondersteuning van een adviseur arbeidsintegratie mogelijk. Zo vergroot de cursus niet alleen praktisch inzicht, maar ook zelfvertrouwen en de kans op een stabiele terugkeer in de samenleving.

Voor Steven was er na één gesprek al een doorbraak. Hij vertelde tijdens de cursus over zijn werk als dakdekker en zijn zorgen over re-integratie. De vrijwilliger schakelde een adviseur arbeidsintegratie in, die hem hielp een werkgever te vinden. Kort na zijn vrijlating begon Steven als dakdekker. Voor het eerst in lange tijd voelde hij zich gemotiveerd en in staat om een stabiel leven op te bouwen. Daarmee werd voor Steven het geloof in herstel tastbaar: door de begeleiding ontdekte hij zijn sterke kanten en kon hij met vertrouwen aan een duurzame toekomst werken.

Het voorbeeld van Steven laat zien dat begeleiding in detentie directe impact heeft. De cursus geeft deelnemers de kans hun kwaliteiten te ontdekken en zich voor te bereiden op een betekenisvolle rol in de samenleving.

Meer info
3,90
Sozio 2 2026 - Halt aan recidive (complete editie)

Sozio 2 2026 - Halt aan recidive (complete editie)

Meer info
14,95
Vader-kindrelaties als sleutel tot zinvolle detentie

Vader-kindrelaties als sleutel tot zinvolle detentie

Waarom de relatie tussen vader en kind geen bijzaak is, maar een noodzakelijke voorwaarde.

Detentie gaat zelden alleen over de persoon die vastzit. Jaarlijks verblijven duizenden vaders in Nederlandse gevangenissen, terwijl buiten de muren naar schatting minstens twaalfduizend minderjarige kinderen achterblijven (Verhagen-Braspennincx et al., 2024). Toch blijven in beleid en praktijk deze kinderen en hun relatie met hun vader opvallend vaak buiten beeld. Detentie raakt niet alleen vrijheid, maar ontregelt ook relaties, identiteit en ouderschap. Juist daarom is de vader-kindrelatie geen randverschijnsel van detentie, maar een kernvraag wanneer we serieus werk willen maken van zinvolle detentie.

Vader-kindrelaties verdwijnen niet door detentie
Een hardnekkige veronderstelling is dat detentie automatisch leidt tot het wegvallen van vader-kindrelaties. Mijn lopende promotie-onderzoek in vijf Nederlandse gevangenissen (werktitel ‘Papa in de Gevangenis’) laat een genuanceerder beeld zien. Vader-kindrelaties zijn tijdens detentie vaak nog wel aanwezig, maar veranderen van vorm, intensiteit en betekenis. Contact wordt schaarser, sterker gereguleerd en afhankelijk van praktische, relationele en institutionele factoren. Tegelijk blijft de emotionele en morele betekenis van het ouderschap voor veel vaders – en voor hun kinderen – bestaan.
Deze realiteit botst met de wijze waarop het detentiesysteem is ingericht. Vaderschap vormt zelden een expliciet uitgangspunt in registraties, besluitvorming of dagelijkse routines. Of een gedetineerde vader is en welke kinderen betrokken zijn, wordt niet systematisch vastgelegd. Daardoor blijft de relatie onzichtbaar, terwijl zij grote betekenis heeft voor welzijn, herstel en re-integratie.

Een relationeel-ecologisch perspectief 
Om te begrijpen waarom vader-kindrelaties zo onder druk staan tijdens detentie, is een relationeel- ecologisch perspectief behulpzaam. Detentie grijpt gelijktijdig in op meerdere niveaus: het persoonlijke niveau van vader en kind, het gezin en netwerk, het gevangenisregime en bredere maatschappelijke en juridische kaders (Verhagen-Braspennincx et al., 2022). Bezoekregelingen, telefoontijden, fysieke afstand, stigma, procedures en bejegening werken samen en bepalen hoe contact er in de praktijk uitziet – en of het überhaupt mogelijk is. Belangrijk daarin is dat nabijheid niet gelijkstaat aan kwaliteit. Ouderschap draait niet alleen om fysiek aanwezig zijn, maar ook om betrokkenheid, verantwoordelijkheid, herkenning en betekenisgeving. Zelfs onder sterk beperkte omstandigheden proberen veel vaders invulling te blijven geven aan hun ouderrol: via gesprekken, brieven, symbolische zorg en morele betrokkenheid. Dat lukt beter wanneer de context dit ondersteunt en niet ondermijnt.

Waarom deze relatie ertoe doet
De vader-kindrelatie is geen sentimenteel thema, maar raakt aan harde uitkomsten. Internationaal en nationaal onderzoek laat zien dat het onderhouden van betekenisvolle relaties samenhangt met minder psychische klachten bij vaders (Reef & Dirkzwager, 2020), meer motivatie tot gedragsverandering en een kleinere kans op recidive (Venema et al., 2025). Voor kinderen geldt dat erkenning, eerlijkheid en het behoud van contact – passend bij leeftijd en situatie – beschermend kan werken tegen gevoelens van verlies, schaamte en loyaliteitsconflicten ((Expertisecentrum K I N D., 2023).

Meer info
3,90
Vroegtijdige schuldenaanpak is fundamenteel voor zinvolle detentie en succesvolle re-integratie

Vroegtijdige schuldenaanpak is fundamenteel voor zinvolle detentie en succesvolle re-integratie

Veel (ex-)gedetineerde personen kampen met schulden die grote invloed op hun leven hebben. Deze schulden belemmeren effectieve begeleiding en daarmee re-integratie. In deze bijdrage wordt ingegaan op schuldenaanpak tijdens detentie als kantelpunt in het re-integratieproces en daarmee als belangrijke sleutel voor zinvolle detentie.

Schulden onder (ex-)gedetineerde personen zijn omvangrijk
Een groot deel van de mensen die na detentie uitstroomt, heeft schulden, zoals bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), zorgverzekeraars, de Belastingdienst en woningcorporaties. Ook is er vaak sprake van schulden bij vrienden en familie (informele schulden)) of in het criminele circuit (illegale schulden) (Berghuis et al., 2024; Van Beek, 2022). Het inkomen valt tijdens detentie vaak weg, doordat mensen hun uitkering kwijtraken of niet kunnen werken. Tegelijkertijd blijven vaste lasten veelal doorlopen. Deze (complexe) schulden werken sterk door op andere levensdomeinen, zoals opleiding en werk, huisvesting, fysieke en mentale gezondheid, en het opbouwen van een steunend netwerk (Jungmann et al., 2014; Van Beek, 2022).
Zowel uit de praktijk als de theorie blijkt dat schulden een belangrijke criminogene factor zijn. Forensisch sociaal professionals die mensen begeleiden die in aanraking komen met justitie zien dagelijks hoe schulden re-integratie belemmeren en het risico op recidive verhogen. Schulden kunnen daarbij een vicieuze cirkel van problemen veroorzaken. Zo nemen, na een financieel gemotiveerd delict, vaak niet alleen de financiële problemen toe, maar ook de problemen op andere leefgebieden, zoals problemen ten aanzien van werk, relaties en gezondheid.

Schulden hangen sterk samen met problemen op andere leefgebieden
In de (ontwikkeling van) schuldenproblematiek binnen deze doelgroep spelen intergenerationele overdracht en negatieve jeugdervaringen, zoals opgroeien in onveilige en instabiele omstandigheden een belangrijke rol. Dit wijst erop dat de oorsprong van financiële problematiek vaak al in de jeugd ligt. Veel (ex-)gedetineerde personen hebben van huis uit belangrijke (financiële) vaardigheden niet aangeleerd gekregen - zoals het omgaan met geld, het leren kennen van de waarde van geld en kennis van financiële verplichtingen bij het 18 jaar worden. 
Bovendien hebben (ex-)gedetineerden in hun jeugd vaker dan gemiddeld te maken gehad met traumatische ervaringen zoals mishandeling, misbruik en verwaarlozing. Daarnaast kan het meespelen dat mensen die op jonge leeftijd vanuit een ander land naar Nederland zijn gekomen niet goed zijn begeleid bij de eisen die deze overgang met zich meebrengt. Door deze factoren kunnen hun kansen op verdere ontwikkeling via opleiding en werk verminderen, omdat zij door deze instabiliteit in hun jeugd problemen ontwikkelen die hun opleiding en daarmee hun toekomst belemmeren. Ook kunnen sociale en culturele factoren bijdragen aan de ontwikkeling van financiële problematiek, bijvoorbeeld wanneer schaamte, imago of het belang van collectivistische waarden een rol spelen.

Schulden hebben veel invloed op het leven
Schulden veroorzaken aanzienlijke stress en kunnen dan ook de reeds bestaande stress bij mensen die in aanraking komen met justitie, evenals de gevolgen daarvan, verergeren en zo hun leven verder ontregelen. Mensen kunnen zich, onder druk van schulden, minder focussen op hun opleiding of werk, relaties komen onder druk komen te staan of mensen ontwikkelen fysieke en mentale gezondheidsproblemen. Daarnaast kunnen schulden ertoe leiden dat mensen belangrijke levenskeuzes, zoals het krijgen van kinderen of het kopen van een huis, uitstellen vanwege de financiële beperkingen. Ook zorgen schulden ervoor dat mensen meer op de korte termijn gaan denken en minder ruimte hebben om na te denken over keuzes en doelen op de langere termijn. Verder beperken schulden de mogelijkheden om te werken aan de gedragsveranderingen die nodig zijn om delictgedrag te verminderen.

Meer info
3,90
Waarom (ex) gedetineerden met een lvb andere begeleiding nodig hebben

Waarom (ex) gedetineerden met een lvb andere begeleiding nodig hebben

De cijfers zijn al jaren bekend, maar de oplossing blijft achter. In Nederland komt bijna de helft van de ex-gedetineerden binnen twee jaar opnieuw in aanraking met justitie. Bij mensen met een licht verstandelijke beperking (lvb) ligt dit percentage nog hoger. De vraag is dan ook niet óf het anders moet, maar hoe. De praktijk laat zien dat een cruciale factor vaak ontbreekt: begeleiding die aansluit bij de leefwereld van deze doelgroep.

Een structureel onderschat probleem
Op basis van screeningsonderzoek (Kaal, 2016) wordt geschat dat 30 tot 40% van de gedetineerden kenmerken heeft van een licht verstandelijke beperking. Toch blijft deze problematiek in veel gevallen onopgemerkt of onvoldoende erkend. Dat heeft directe gevolgen voor de fase na detentie.

Van ex-gedetineerden wordt verwacht dat zij zelfstandig hun leven opnieuw inrichten. Juist voor mensen met een lvb blijkt dit bijzonder ingewikkeld. Zij lopen vast in complexe regelgeving, missen overzicht, hebben beperkte probleemoplossende vaardigheden en zijn vaak sterk beïnvloedbaar. Wat in beleid regelmatig wordt gezien als onwil, blijkt in de praktijk vaak onvermogen.

De kostbare cyclus van terugval
De gevolgen zijn groot. Voor de persoon zelf en voor de maatschappij. Tegelijkertijd laat de maatschappelijke businesscase van Overvest en Dock4 (2018) zien dat een integrale aanpak voor gedetineerden met een lvb naar verwachting leidt tot minder recidive en lagere maatschappelijke kosten. De conclusie is duidelijk: de grootste winst ligt niet in zwaardere interventies, maar in betere en meer passende begeleiding.

De kloof tussen systeem en leefwereld
Een belangrijke oorzaak van terugval ligt in de wijze waarop ondersteuning is ingericht. Huidige systemen gaan uit van zelfredzaamheid, eigen regie en het vermogen om complexe processen te overzien. Voor mensen met een lvb is dat vaak niet realistisch. Hierdoor ontstaat een fundamentele kloof. Systemen communiceren abstract en complex, terwijl mensen met een licht verstandelijke beperking juist concreet en praktisch denken. Verwachtingen sluiten niet aan op vaardigheden. Het gevolg is dat mensen afhaken, zorg mijden of verkeerde keuzes maken, met alle gevolgen van dien.

Een andere benadering: continuïteit en vertrouwen
Om deze kloof te overbruggen is een andere aanpak nodig. Niet gericht op losse interventies, maar op duurzame begeleiding met één vast aanspreekpunt.

Binnen de aanpak van ‘LeefMEE’ speelt de levensloopconsulent een belangrijke rol: een professional die naast de (ex-)gedetineerde staat, al tijdens detentie betrokken kan zijn en een vertrouwensband opbouwt. De levensloopconsulent ondersteunt op meerdere leefgebieden en vertaalt complexe systemen naar begrijpelijke stappen. Juist die combinatie van nabijheid, continuïteit en praktische begeleiding maakt het verschil.

Meer info
3,90
Wat het leefklimaat doet met langgestrafte gedetineerde - Leven achter tralies, langdurig

Wat het leefklimaat doet met langgestrafte gedetineerde - Leven achter tralies, langdurig

De maximale tijdelijke gevangenisstraf voor moord werd in 2006 verhoogd van twintig naar dertig jaar. Met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en Beschermen in 2021 moeten langgestrafte gedetineerden een groter deel van hun straf feitelijk uitzitten — vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling is nog slechts mogelijk tot maximaal twee jaar vóór het einde van de straf, waar dat eerder na twee derde van de straf kon. En in 2023 werd de maximale straf voor doodslag verhoogd van vijftien naar vijfentwintigjaar.

Deze beleidsveranderingen zijn niet zonder gevolgen. Momenteel zit een derde van alle gedetineerden in Nederlandse penitentiaire inrichtingen (PI's) een straf van drie jaar of langer uit. Dat aandeel zal de komende jaren verder stijgen. De vraag die dit oproept, is niet alleen hoelang mensen vastzitten, maar ook: wat doet het gevangeniswezen met hen? Welke omstandigheden treffen langgestrafte personen aan, en wat zijn de gevolgen daarvan voor hun welzijn, gedrag en terugkeer in de samenleving? Op verzoek van de Tweede Kamer deed het Wetenschappelijk 

Onderzoek- en Datacentrum
(WODC) in 2025 uitgebreid literatuuronderzoek naar precies die vragen. In dit artikel worden de belangrijkste bevindingen van dat rapport samengevat en in perspectief geplaatst. Het gaat niet om de vraag óf detentie schadelijk is — dat is al decennialang bekend — maar om de vraag welke omstandigheden binnen de gevangenis het verschil maken, en hoe die kunnen worden verbeterd.

Het leefklimaat als analytisch kader
Het WODC-onderzoek maakt gebruik van het begrip leefklimaat: alle omstandigheden in detentie die van invloed zijn op het welzijn en gedrag van gedetineerden, zowel tijdens als na hun straf. Het leefklimaat is opgedeeld in zes dimensies: veiligheid, autonomie, contacten binnen de gevangenis (met personeel en medegedetineerden), contacten met de buitenwereld, zinvolle dagbesteding en de fysieke omgeving en faciliteiten. Aanvullend wordt het effect van het beveiligingsniveau apart behandeld. Voor elk van deze dimensies is gekeken naar effecten op drie uitkomstgebieden: welzijn en gezondheid, gedrag tijdens detentie (waaronder wangedrag en middelengebruik), en recidive en re-integratie na vrijlating. De onderzoekers analyseerden 168 empirische studies en 47 overzichtsstudies, gepubliceerd vanaf 2000, die betrekking hebben op gedetineerden met een straf van minimaal één jaar.

Bevindingen per dimensie

Veiligheid
Onveiligheid in de gevangenis hangt overtuigend samen met minder welzijn, meer wangedrag en hogere recidive. Wie slachtoffer wordt van geweld, intimidatie of diefstal, ervaart chronische stress die doorwerkt tot lang na vrijlating. Kwetsbare groepen — zoals zedendelinquenten en transgender personen — voelen zich significant minder veilig dan andere gedetineerden, met alle psychische gevolgen van dien. Opvallend genoeg vinden studies naar de relatie tussen onveiligheid en middelengebruik nauwelijks een verband, maar de bredere schade aan gezondheid en maatschappelijke re-integratie is duidelijk aangetoond.

Autonomie
Autonomie in detentie gaat over meer dan vrijheid van beweging. Het omvat keuzevrijheid, voorspelbaarheid van regels en procedures, en de mate waarin iemand invloed heeft op zijn eigen situatie (outcome control). Kwalitatief onderzoek laat zien dat een gebrek aan autonomie leidt tot stress, angst, frustratie en psychische problemen. Juist voor langgestrafte personen — die jaren in een systeem leven dat weinig zeggenschap biedt — kan dit cumulatieve schade veroorzaken. Studies laten ook zien dat meer autonomie samenhangt met lagere recidive, al is het causale mechanisme nog niet volledig opgehelderd.

Contacten met detentiepersoneel
De relatie tussen gedetineerden en de penitentiair inrichtingswerker is een van de best onderzochte dimensies van het leefklimaat. Zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek toont aan dat respectvolle, eerlijke bejegening door personeel samenhangt met meer welzijn en minder wangedrag. Gedetineerden die zich als mens behandeld voelen, gedragen zich anders dan degenen die voortdurend worden bejegend als een veiligheidsrisico. Dit principe van procedurele rechtvaardigheid — het gevoel én ervaren dat regels eerlijk worden toegepast — blijkt zelfs sterker samen te hangen met gedrag dan de inhoud van de regels zelf.

Meer info
3,90
Wat Werkt? Minder dan we denken, meer dan we doen

Wat Werkt? Minder dan we denken, meer dan we doen

In het debat over jonge aanwas hebben we de neiging om te doen alsof er een gereedschapskist bestaat waar we alleen nog maar het juiste instrument uit hoeven te pakken. Maar wie iets langer kijkt, ziet dat die gereedschapskist verrassend leeg is. Of beter: slecht gevuld met bewijs. We weten minder dan we denken. En toch handelen we alsof we het zeker weten. Dat is geen pleidooi voor stilstand; integendeel. We weten namelijk wél iets. Niet alles, maar genoeg om richting te geven. De kern is eigenlijk pijnlijk eenvoudig: jeugdcriminaliteit ontstaat niet uit het niets. Het is vrijwel altijd een optelsom van kwetsbaarheid, verleiding en gelegenheid. Geen school, schulden, verkeerde vrienden, behoefte aan status. En tegelijk het ontbreken van structuur, perspectief en iemand die je ziet.

Wie dat niet scherp heeft, kiest bijna altijd de verkeerde interventie. Dan wordt gedrag bestreden zonder de context te begrijpen. En dat is dweilen met de kraan open. Effectieve aanpak begint dus niet met een interventie, maar met een analyse. Waarom zit deze jongere in de gevarenzone? Wat speelt er? Wat ontbreekt er? Pas daarna komt de vraag wat je doet. Wat vervolgens opvalt, is dat veel succesvolle – en soms erkende – aanpakken eigenlijk hetzelfde doen. Ze verlagen risicofactoren en versterken beschermende factoren. Ze brengen structuur, bouwen relaties op en bieden perspectief. Maar ze stellen ook grenzen. Duidelijke grenzen.
Daar zit ook een ongemakkelijke waarheid. Preventie zonder repressie is tandeloos. Repressie zonder preventie is eindeloos. De kracht zit in de combinatie. Dat zien we bijvoorbeeld terug in aanpakken zoals gerichte afschrikking: focus op een kleine groep, duidelijke normstelling, zichtbare consequenties én een uitweg voor wie wil stoppen. Niet soft, niet hard, maar consequent.
En misschien nog wel belangrijker: op tijd. Niet wachten tot iemand is ‘doorgegroeid’, maar vroeg signaleren. Daar waar het begint: op hotspots, op momenten waarop het misgaat, in groepen waar gedrag zich versterkt. Wie daar te laat is, loopt altijd achter de feiten aan.
Tegelijk moeten we eerlijk zijn over wat het vraagt. Goede aanpakken zijn zelden eenvoudig. Ze vragen samenwerking, informatie, continuïteit en professionals die het verschil maken. Good persons, zoals dat zo mooi heet. Mensen die niet alleen regels uitvoeren, maar ook betekenis geven. En goede aanpakken vragen iets anders: tempo. Niet het tempo van systemen, maar het tempo van de straat. Jongeren wachten niet op beleid. Problemen ook niet. Ook de wil en motivatie bij een jongere om te willen veranderen is cruciaal. En als de straat harder aan de jongere trekt dan de staat is de kans kleiner dat een jongere andere keuzes gaat maken dan uit de criminaliteit te stappen. Misschien is dat wel de belangrijkste les dat er niet gezocht wordt naar dé interventie die alles oplost, maar te investeren in een aanpak die klopt in de kern: scherp kiezen, goed kijken en consequent handelen. Dat is minder spectaculair dan het klinkt, maar wel effectiever. 

Meer info
3,90
Young Perspectives: Het jongerenperspectief centraal

Young Perspectives: Het jongerenperspectief centraal

Als je met jongeren praat over hun tijd in een justitiële jeugdinrichting, hoor je vaak dezelfde woorden: stilstand, wachten, tijd uitzitten. Het recidivecijfer onder jongeren in Nederland liegt er niet om: detentie draagt nog te vaak onvoldoende bij aan het afzweren van criminaliteit. Hoe kun je de tijd in detentie zinvoller benutten?

Hoe wordt een verblijf in een justitiële jeugdinrichting een aanmoediging tot het opbouwen van een constructief leven?
Young Perspectives gelooft dat het antwoord bij de jongeren zelf ligt. Zinvolle detentie in het jeugdstrafrecht begint niet bij praten over jongeren, maar met hen. In dit artikel vertellen we hoe we dat doen.

Young Perspectives (YOPE) werkt met en voor jongeren, in en na geslotenheid. We ontmoeten hen tijdens creatieve en sportieve workshops die we geven in (forensische) jeugdzorginstellingen. Tijdens deze workshops leren zij vaardigheden van artiesten als rappers of acteurs, die ze kunnen zien als rolmodellen. Ze raken geïnspireerd over wat allemaal mogelijk is, en kunnen verbeeldingen maken over een ander leven. Jongeren die enthousiast zijn over YOPE en behoefte hebben aan sociaal contact, worden gekoppeld aan een mentor van YOPE. 

Deze vrijwillige mentor gaat zonder dossierkennis en zonder behandelplan anderhalf jaar lang op bezoek. De jongere kan zichzelf opnieuw voorstellen en bepaalt zelf waar het gesprek over gaat. Met jonge ex-gedetineerden die hun reflecties en ervaringen willen delen om de strafrechtketen te verbeteren, doen we trainings- en adviesopdrachten. Na hun tijd in detentie worden ze begeleid door YOPE en krijgen de titel YOPE-expert.

Jaarlijks spreken zij duizenden professionals uit de gehele jeugdstrafrechtketen. De YOPE-experts zetten hun ervaring ook in om jongeren die in geslotenheid zitten direct te inspireren. Dit doen ze met een Peer2Peer-workshop: een YOPE-expert en een YOPE-docent staan samen voor een groep jongeren in een justitiële jeugdinrichting (JJI). Ze ontmoeten de jongeren in de klas of op hun leefgroep. De docent, getraind door YOPE in het leiden van een Peer2Peer, opent het gesprek en bewaakt de veiligheid en structuur ervan. Hij of zij leidt het gesprek via een opbouw langs het verleden, de periode in detentie en de toekomst. Hierbinnen deelt de expert zijn persoonlijke ervaringen. Thema’s als keuzes maken, loyaliteit, groepsdruk, verlies en schaamte komen voorbij.

Het levensverhaal dat wordt gedeeld omvat veel elementen waarin zij zich herkennen. Dit nodigt de jongeren uit hun eigen verhaal te delen, vragen te stellen en zo van elkaar, de expert en de docent te leren. De jongeren gaan tijdens de workshop zelf aan de slag. Via creatieve opdrachten krijgen zij de ruimte om hun eigen verhaal te verkennen en vorm te geven. Sommigen gebruiken woorden, anderen beeld of muziek. Door bijvoorbeeld een rap te schrijven, een tekening te maken of korte zinnen op papier te zetten, worden ervaringen en mogelijkheden tastbaar.

Elke workshop eindigt met een moment van reflectie samen met de groepsbegeleiders in de JJI. Jongeren delen wat hen is bijgebleven, wat hen raakt en wat ze meenemen. Niet alleen voor de jongeren zelf maar ook voor de begeleiders levert dit waardevolle inzichten op over wat er leeft in de groep en welke thema’s aandacht vragen.

Inzichten van Young Perspectives
Tijdens alle YOPE-diensten (de workshops, de mentorgesprekken, trainingen en adviesopdrachten van de experts) horen we veel verhalen van jongeren. Door een setting te creëren waar ze kunnen ontspannen en fantaseren, ontstaat er ruimte voor reflectie. Daar komen wijze lessen en ideeën uit voort. De belangrijkste les uit de praktijk is helder: de kennis en het inzicht over hoe detentie zinvol kan zijn, ligt bij ervaringsdeskundige jongeren zelf. Zij hebben zelf ervaren hoe het is om vast te zitten, te zoeken, te twijfelen en wat er nodig is om weer vooruit te komen.

Meer info
3,90
Zinvolle detentie

Zinvolle detentie

Zinvolle detentie gaat niet over grote systeemveranderingen, maar over dagelijkse keuzes. Over hoe professionals omgaan met mensen, hoe leiders ruimte geven en hoe organisaties hun bedoeling levend houden. Want juist als niets fout mag gaan, is het van belang te blijven leren, bewegen en doen wat de bedoeling is.

Ontwikkelen in een omgeving waarin niets fout mag gaan
Stel je een omgeving voor waarin niets fout mag gaan. Waar incidenten direct politieke en maatschappelijke gevolgen kunnen hebben. Wat gebeurt er dan? In veel gevallen gebeurt hetzelfde: regels stapelen zich op, controle neemt toe en professionals worden voorzichtiger. Begrijpelijk – maar ook risicovol.

Want waar het draait om het voorkomen van fouten, verdwijnt vaak de ruimte om te leren, te ontwikkelen en echt verschil te maken. Dat spanningsveld vormt het vertrekpunt van een verhaal over zinvolle detentie: in mijn boek Veranderen achter gesloten deuren beschrijf ik mijn ervaringen in de zoektocht naar balans tussen veiligheid en menselijkheid, tussen regels en ruimte. Dit verhaal speelt zich af in de gevangenis, maar is net zo relevant voor het bredere sociale domein. Want juist waar het complex is en waar belangen botsen, komt het aan op vakmanschap, menselijkheid en moed.
Vanuit die overtuiging bouwden we stap voor stap aan een ontwikkelprogramma waarin drie sporen samenkwamen:
• ontwikkeling van gedetineerden: werken aan herstel, verantwoordelijkheid en perspectief;
• ontwikkeling van medewerkers: ruimte geven aan vakmanschap, waardoor werkplezier en betrokkenheid groeien;
• ontwikkeling van de organisatie: bouwen aan maatschappelijke meerwaarde en toekomstbestendigheid. 

Het was geen eenvoudig proces. Vernieuwing in een omgeving waarin niets fout mag gaan vraagt doorzettingsvermogen en het lef om de ruimte in de regels te zoeken.

In mijn werk spreek ik liever over ontwikkelen dan over veranderen. Mensen willen niet veranderd wórden – ze willen groeien. Ontwikkelen is een gezamenlijke beweging, geen project met een start en einddatum. Die beweging is hard nodig.
Maatschappelijke verwachtingen veranderen, inzichten over resocialisatie groeien en de druk op vakmensen neemt toe. Ontwikkelen is dus geen luxe, maar een voorwaarde om relevant en menselijk te blijven. Ontwikkeling begint bij leiderschap dat ruimte schept. Leiders die sturen op het waarom en wat, en het hoe overlaten aan hun professionals. Omdat ze weten dat vertrouwen meer oplevert dan controle. Het mooiste aan werken met professionals vind ik hun vakmanschap: kennis, ervaring, intuïtie. Zij weten wat er nodig is om het goede te doen. Maar dat kan alleen als er ruimte is om te handelen, te leren en soms af te wijken. Ruimte om verschil te maken. Vakmanschap vraagt vertrouwen. Als medewerkers ruimte krijgen om hun werk goed te doen, stijgen motivatie, kwaliteit en trots. Dat is niet alleen waardevol voor henzelf, maar voor de hele organisatie – en uiteindelijk voor de samenleving.

Meer info
3,90