De bescherming van kinderen begint in de opleidingen

De bescherming van kinderen begint in de opleidingen

Productgroep Sozio 1 2026
Rudy Bonnet | 2026
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Twintig jaar na Savannah is het een ongemakkelijke waarheid: in Nederland leiden we nog steeds sociaal werkers, pedagogen, psychologen en jeugdprofessionals op zonder dat ze structureel leren hoe ze onveiligheid in gezinnen tijdig kunnen herkennen en duiden. Terwijl dat juist de kern van hun werk is.

In al die jaren zijn er talloze programma’s en hervormingen geweest; Veiligheid Voorop, Geweld hoort nergens thuis, het huidige Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Er zijn taskforces ingesteld, wetten aangepast, organisaties heringericht. Maar telkens wanneer een nieuw incident in het nieuws komt –soms met fatale afloop voor een kind, terwijl het gezin al bekend was bij hulpinstanties – blijken de oorzaken pijnlijk bekend: gemiste signalen, onduidelijke regie en trage samenwerking. Iedere keer weer opnieuw. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd waarschuwde in 2024 dat gezinnen nog altijd te lang onveilig blijven (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2024). Niet zelden komt dit doordat de eerste beoordeling van de veiligheid te laat of te oppervlakkig gebeurt. Een belangrijk deel van dat probleem begint bij iets wat zelden benoemd wordt: het gebrek aan structurele scholing over veiligheid in gezinnen in de opleidingen zelf.

Er bestaat in Nederland geen landelijke norm of verplicht curriculum voor hbo-opleidingen binnen het sociaal domein. Opleidingen als Social Work, Pedagogiek, Toegepaste Psychologie en Maatschappelijk Werk besteden wel aandacht aan veiligheid, maar de inhoud, omvang en diepgang daarvan verschillen sterk per hogeschool. Sommige studenten krijgen een volledige module over kindermishandeling,
terwijl anderen het moeten doen met slechts één college hierover. De landelijke opleidingsprofielen erkennen het belang van veiligheid, maar laten de invulling ervan geheel aan de hogescholen. Er is geen norm die aangeeft over welke kennis en vaardigheden een afgestudeerde professional minimaal moet beschikken op het gebied van (on)veiligheid, met als gevolg dat hulpverleners ongelijk voorbereid zijn op het signaleren en duiden van onveiligheid.