Twintig jaar na Savannah is het een ongemakkelijke waarheid: in Nederland leiden we nog steeds sociaal werkers, pedagogen, psychologen en jeugdprofessionals op zonder dat ze structureel leren hoe ze onveiligheid in gezinnen tijdig kunnen herkennen en duiden. Terwijl dat juist de kern van hun werk is.
In al die jaren zijn er talloze programma’s en hervormingen geweest; Veiligheid Voorop, Geweld hoort nergens thuis, het huidige Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Er zijn taskforces ingesteld, wetten aangepast, organisaties heringericht. Maar telkens wanneer een nieuw incident in het nieuws komt –soms met fatale afloop voor een kind, terwijl het gezin al bekend was bij hulpinstanties – blijken de oorzaken pijnlijk bekend: gemiste signalen, onduidelijke regie en trage samenwerking. Iedere keer weer opnieuw. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd waarschuwde in 2024 dat gezinnen nog altijd te lang onveilig blijven (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2024). Niet zelden komt dit doordat de eerste beoordeling van de veiligheid te laat of te oppervlakkig gebeurt. Een belangrijk deel van dat probleem begint bij iets wat zelden benoemd wordt: het gebrek aan structurele scholing over veiligheid in gezinnen in de opleidingen zelf.
Er bestaat in Nederland geen landelijke norm of verplicht curriculum voor hbo-opleidingen binnen het sociaal domein. Opleidingen als Social Work, Pedagogiek, Toegepaste Psychologie en Maatschappelijk Werk besteden wel aandacht aan veiligheid, maar de inhoud, omvang en diepgang daarvan verschillen sterk per hogeschool. Sommige studenten krijgen een volledige module over kindermishandeling,
terwijl anderen het moeten doen met slechts één college hierover. De landelijke opleidingsprofielen erkennen het belang van veiligheid, maar laten de invulling ervan geheel aan de hogescholen. Er is geen norm die aangeeft over welke kennis en vaardigheden een afgestudeerde professional minimaal moet beschikken op het gebied van (on)veiligheid, met als gevolg dat hulpverleners ongelijk voorbereid zijn op het signaleren en duiden van onveiligheid.
Anders kijken naar leren in de jeugdzorg
Ineens was ‘Veendam’ buzzing bij iedereen die de transformatie van de jeugdzorg volgt. ‘Veendam gooide de marktwerking overboord in de jeugdhulp en zie, de wachtlijsten verdwenen’, kopte NRC. Het tv-programma EenVandaag volgde met: ‘Wachtlijsten verdwenen, kosten gedaald’. De reflex liet zich raden: wat kan de rest van Nederland hiervan leren? Maar die vraag verdient verdieping. Moeten we meer weten of leren om Veendam te kopiëren? Of moeten we leren begrijpen wat een transformatie werkelijk vraagt?
De Amerikaanse systeemdenker Nora Bateson waarschuwt in dit soort vraagstukken voor te snelle conclusies en evaluaties. In complexe veranderprocessen werkt kennis niet wanneer we haar losknippen van context en relaties. Zoals zij het verwoordt: ’If we interrupt a song every few seconds to analyze it, we kill the music’ (Bateson, 2016).
Die waarschuwing is om te beginnen richtinggevend voor hoe we naar leren en veranderen in de jeugdzorg kunnen kijken. In succesvolle transities werken verschillende kennisbronnen op elkaar in, niet los van hun omgeving maar juist geworteld in de context waarin zij betekenis krijgen.
Honger naar voorbeelden
Wachttijden in de jeugdzorg, de afbouw van de gesloten jeugdhulp en het verhoogde risico op dakloosheid voor jongeren die 18 jaar worden in residentiële zorg: bepaalde zaken binnen de jeugdzorg moeten anders. Fundamenteel anders. De refl ex op ‘anders’ is vaak: laat me zien hoe het wel moet. We zoeken naar kennis, good practices, geslaagde pilots en succesverhalen. Naar personen, organisaties en rapporten die het wéten. De potten met goud achter de regenboog.
En was Veendam dan eindelijk die pot met goud? Spoiler alert: de gemeente Veendam slaagde erin zowel de kwaliteit van de jeugdhulp te verhogen als de kosten te reduceren. Maar het duurde vijftien jaar voordat het fundament daarvoor stevig genoeg was. Vijftien jaar overleggen, zoeken, smeden en creëren. Wat in de media rondging als het ei van Columbus, was het resultaat van jarenlang bevragen, oefenen en opnieuw proberen om verbindingen te structureren. Van veel geïncasseerde mislukkingen. Van het nemen van reële tijd.
In Nederland leven we samen met mensen uit steeds meer verschillende landen. Dat maakt onze samenleving levendig en divers. Als professional in het sociale werkveld stelt het je echter soms ook voor dilemma’s. Je maakt elke dag op je werk veel mee. De werkzaamheden zijn divers en je komt in aanraking met veel verschillende jongeren die allemaal hun eigen verhaal hebben. Verhalen over vroeger, maar ook verhalen over dingen die in het nu gebeuren.
Door deze mooie potpourri aan mensen is ook de diversiteit aan verhalen groot. Bijzondere verhalen over prachtige culturele gewoontes, maar ook verhalen over jongeren die te maken krijgen met praktijken die in Nederland strafbaar zijn. Denk aan huwelijksdwang, gevangenschap binnen het huwelijk, achterlating in het land van herkomst, meisjesbesnijdenis en eergerelateerd geweld. Deze verhalen hebben aandacht nodig, deze jóngeren hebben aandacht nodig.
Maar hoe geef je als professional in het sociale werkveld die aandacht en hoe ga je bij vermoedens het gesprek hierover aan? We helpen je daar graag bij met de gratis e-learnings die Pharos hiervoor met Augeo ontwikkelde. Voor verschillende beroepsgroepen en over verschillende onderwerpen wordt hierin uitgelegd hoe je dit doet en welke route bewandeld moet worden.
Ervaringskennis in straatcultuur kan een waardevolle toevoeging zijn in het werk met risicojeugd. Vooral in wijken met veel armoedeproblematiek en criminaliteit zijn jongeren, door hun ervaringen met uitsluiting en discriminatie, wantrouwend richting sociaal werkers. Medewerkers met een achtergrond in de straatcultuur die weten hoe ze zich in de wijk moeten bewegen en bekend zijn met marginaliseringsprocessen, kunnen deze jongeren beter bereiken en helpen.
Het doel van jongerenwerkers is om jongeren te ondersteunen en hen te helpen hun weg te vinden naar een zelfstandige en kansrijke toekomst. Hoewel dit doel bij de meerderheid van jongeren behaald wordt, stuiten veel jeugdwerkers op het probleem dat zij groepen risicojongeren niet of niet goed weten te bereiken. Dit gaat, volgens onderzoek van Jan-Dirk de Jong (2021), om ongeveer twee procent van de jeugdigen die in beeld zijn bij sociale instanties en is vooral zichtbaar in wijken waar criminaliteits- en armoedecijfers hoger zijn en waar een hogere mate van wantrouwen bij de inwoners richting sociale instellingen bestaat.
Dit wantrouwen wordt gevoed door negatieve ervaringen en uitsluiting van jongeren en hun ouders bij overheden, sociale diensten en politie. Ervaringen met discriminatie en racisme in multiculturele wijken versterken dit wantrouwen. Dat wantrouwen onder jongeren richt zich ook op sociaal werkers, waaronder jongerenwerkers.
Het inzetten van professionals met ervaringskennis in straatcultuur kan helpen om die risicojongeren beter te bereiken (zie onder andere De Jong, 2016; Van der Gaag, Van Wonderen, Boonstra, 2013). Het inzetten van dergelijke streetwise jeugdcoaches is niet vreemd binnen het jeugdwerkdomein. Door hun ervaringen met straatcultuur en hoe zij om hebben moeten gaan met hun gemarginaliseerde positie, kunnen deze jeugdcoaches lastige doelgroepen makkelijker aanspreken en sneller hun vertrouwen winnen – en zo de juiste ondersteuning leveren. Onderzoek naar de Jeugdcoaches in Nijmegen
Ervaringskennis met straatcultuur in het werk met risicojeugd is echter onderbelicht in de wetenschappelijke literatuur. Wij hebben daarom kwalitatief onderzoek gedaan bij de Jeugdcoaches van de Gemeente Nijmegen. Deze jeugdcoaches zijn professionals die werkzaam zijn bij de gemeente Nijmegen en veelal zelf ervaring hebben met straatcultuur. Een belangrijke voorwaarde is ook dat zij al meerdere jaren afstand hebben genomen van criminaliteit. Jeugdcoaches worden in het kader van hun professionalisering gefaciliteerd om een mbo-opleiding Sociaal Werk te volgen.
We hebben zeven jeugdcoaches, hun teamleider en enkele vrijwilligers binnen het team gesproken over de vraag hoe zij het vertrouwen van jongeren winnen en welke rol hun ervaring met straatcultuur daarin speelt. De teamleider hebben we tweemaal gesproken. Ook hebben we met iedere jeugdcoach meerdere dagen meegelopen ter observatie (120 uur in totaal).
Zorgvragen nemen toe in aantal en complexiteit, terwijl de arbeidsmarkt onder druk staat. Tegelijkertijd verandert technologie het werk van zorgprofessionals ingrijpend: ze moeten digitaal vaardig zijn, nieuwe technologie kritisch kunnen inzetten en blijven handelen vanuit professionele en ethische afwegingen. Deze uitdagingen raken direct aan de manier waarop zorgprofessionals worden opgeleid en ondersteund.
In gesprekken tussen Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en zorgorganisaties Ziekenhuis Gelderse Vallei (ZGV) en Opella bleek dat traditionele vormen van kennisontwikkeling onvoldoende aansluiten bij de huidige dynamiek in de zorgsector. Losse onderzoeksprojecten, pilots of implementatietrajecten leveren waardevolle inzichten op, maar blijven vaak contextgebonden en vinden moeilijk hun weg naar structurele verandering in onderwijs en praktijk. Living labs worden steeds vaker gezien als een manier van samenwerken om deze kloof te overbruggen.
Zij vormen een infrastructuur waarin leren, onderzoeken en toepassen samenkomen rond concrete praktijkvragen en waarin kennisontwikkeling direct en zichtbaar doorwerkt in de praktijk. De ontwikkeling van het ValleiLab in Ede laat zien dat living labs draaien om een aantal samenhangende leidende principes. In dit artikel lichten we deze leidende principes toe en laten we zien hoe een living lab – zoals het ValleiLab – een infrastructuur biedt voor kennisontwikkeling in de praktijk. Daarmee beogen we anderen die een living lab willen opzetten inzicht te geven in deze onderliggende principes en werkwijzen.
Een living lab als manier van werken
De living lab-werkwijze kenmerkt zich door cocreatie met de praktijk. De aanleiding voor het ValleiLab lag dan ook in de wens die binnen de regionale Werkplaats Sociaal Domein Gelderse Vallei vanuit het werkveld op tafel werd gelegd: help ons om de digitale kloof in zorg en welzijn te overbruggen, en om de verbinding tussen zorg en welzijn te versterken. De oplossingen voor dit complexe vraagstuk waren niet van tevoren bedacht, maar zijn ontstaan door interactie tussen betrokkenen met verschillende perspectieven, rollen en expertise
Op een dag had ik trek in een vette bek. In de plaats waar ik was, zat een snackbar die zichzelf ‘Kwalitaria’ noemt. Ik liep de zaak binnen en struikelde bijna over een banner die mij verzekerde dat elke snack hier ‘natuurlijk de lekkerste’ is. Bovendien gaat het hier, schreeuwen de menulijsten je toe, om een duurzame snackbar. Dus: koop fastfood en red het regenwoud.
Inmiddels overtuigd dat deze plaats niet minder dan de snackhemel op aarde moest zijn, bestelde ik een frikandel speciaal. En hij was heerlijk. Maar waarom vond ik de frikandel hier lekkerder dan die van de snackbar om de hoek?
In de literatuur over jeugdhulp of psychotherapie worden ‘hoop en verwachting’ beschreven als werkzame factoren (Constantino et al., 2023)1. Het basisidee: als je hoopvol bent over de uitkomst van de hulp die je inschakelt, neemt de kans toe dat de hulp daadwerkelijk succesvol zal blijken. Of in de frikandel-metafoor: omdat je verwacht een frikandel te eten van hoge kwaliteit – tenslotte zullen ze er heus niet over liegen – smaakt het daadwerkelijk beter. Hoop doet smaken, zoiets.
Wat is hoop eigenlijk? Er zijn mensen die hoop opvatten als uitgestelde teleurstelling. Hoe vaak zeggen we tegen iemand die in de penarie zit ‘het komt wel goed’ simpelweg om maar iets opbeurends te zeggen. Terwijl we weten dat het soms helemaal niet goed komt. Sterker nog, met ons allemaal loopt het op een dag slecht af. Dus als het al goedkomt, is het per definitie tijdelijk.
Wat gebeurt er als sociaal werk verschil maakt, maar dit verschil niet te zien is in de cijfers? Stoppen we er dan mee? Of durven we samen te kijken naar de in de cijfers niet zichtbare en soms onverwachte of onbedoelde impact van het werk? Impactonderzoek dat werkt helpt bij het beantwoorden van dit soort vragen.
Het gaat verder dan traditionele evaluaties en vraagt een reflexieve praktijk waarin gemeenten, uitvoerders in het sociaal domein en onderzoekers samenwerken. In dit artikel geven we hiervan twee voorbeelden en laten we zien hoe we de impact van het sociaal werk inzichtelijk maken op een manier die past bij de praktijk, en die bovendien ondersteunend is aan het verbeteren ervan.
Impact van sociaal werk: wat bedoelen we daarmee?
Impact van sociaal werk is te definiëren als alle veranderingen – verwacht en onverwacht, bedoeld en onbedoeld, positief en negatief – die ontstaan als gevolg van een sociaalwerkpraktijk (De Waele et al., 2022; Ebrahim, 2019). Een voorbeeld van een sociaalwerkpraktijk is het werk van opbouwwerkers die ontmoetingen en verbindingen tussen bewoners faciliteren. Andere voorbeelden zijn de begeleiding aan jeugd en gezinnen vanuit wijkteams en de ondersteuning van mensen met mentale gezondheidsproblemen.
Ook het stimuleren van bewoners in een straat om elkaar af en toe te helpen, zodat bijvoorbeeld ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, is een voorbeeld van een sociaalwerkpraktijk.
Onverwachte of onbedoelde impact is ook impact
De voorbeelden van sociaalwerkpraktijken zoals hierboven hebben iets gemeenschappelijks. De impact ervan is vaak niet vast te leggen in cijfers en soms ook anders dan vooraf verwacht. Dit zagen we bijvoorbeeld in een verkennend onderzoek naar de impact van een VR-game gericht op het verminderen van wapenbezit onder jongeren. De impact van die VR-game lijkt vooral terecht te komen bij docenten in plaats van bij de jongeren zelf (Van der Ent & Hermens, 2024).
De docenten die Van der Ent en Hermens (2024) interviewden vertelden dat ze erbij waren toen de leerlingen de VR-game speelden, en dat zij zich vervolgens meer bewust zijn geworden van het probleem van wapenbezit onder hun leerlingen.
Bovendien, zo vertelden zij, spraken zij vervolgens vaker met collega’s over het onderwerp en letten zij er nu beter op in de klas. Hoewel het oorspronkelijke doel – meer bewustzijn onder leerlingen over de risico’s van het dragen van een mes – niet merkbaar is bereikt, is het hier de vraag of de VR-game niet toch succesvol is. Het heeft immers wel een andere positieve verandering in gang gezet. Bij impactonderzoek dat werkt in het sociaal werk gaat het om het gesprek over dit soort vragen.
We gebruiken ons vakgebied ‘geweld in afhankelijkheidsrelaties’ als voorbeeld. Veertig jaar geleden was hier weinig of geen kennis over. Dat is nu wel anders: er is veel kennis over dit fenomeen. Maar benutten we die kennis voldoende? Immers, kennis hebben betekent niet automatisch dat er iets mee wordt gedaan. In dit artikel onderzoeken we kennis vanuit drie perspectieven: de kennis-actiekloof, constructieve ontevredenheid en coherent samenwerken. Deze thema’s zijn breed toepasbaar binnen het sociaal domein, de (jeugd)zorg en de veiligheidsketen.
DE KENNIS-ACTIEKLOOF
Tot ver in de jaren zeventig werd geweld in de relationele sfeer nauwelijks (h)erkend als maatschappelijk probleem. Seksueel geweld in gezinnen werd gezien als uiterst zeldzaam. Niet omdat er geen signalen waren, maar omdat het eenvoudigweg ondenkbaar werd geacht dat vaders, broers of andere familieleden kinderen zouden misbruiken. Het gezinsideaal was heilig; incest paste daar niet in. Kinderen die hun verhaal vertelden, werden vaak niet geloofd. Hun ervaringen werden afgedaan als fantasie, leugens of beïnvloeding. Het probleem was dus niet dat men het niet kón weten, maar dat men het niet wílde weten. Hardnekkige overtuigingen zorgden ervoor dat de ervaringskennis van kinderen structureel werd genegeerd, gebagatelliseerd of als onbetrouwbaar werd weggezet.
In de jaren tachtig werd voor het eerst grootschalig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar seksueel geweld bij kinderen in Nederland (Draijer, 1988). Dit onderzoek liet zien dat incest geen uitzondering was, maar een van de meest voorkomende vormen van seksueel geweld tegen kinderen. Er was nu empirische kennis. Toch werd ook deze met scepsis ontvangen: ‘Dit kan niet waar zijn’, ‘Het zal wel overdreven zijn’, ‘Dat is feministische propaganda’. Desondanks betekende het onderzoek een doorbraak. Seksueel misbruik werd bespreekbaar; het taboe werd voorzichtig doorbroken.
De cijfers uit het wetenschappelijk onderzoek kregen betekenis door de verhalen die naar voren kwamen in zelfhulpgroepen, lotgenotengroepen en de vrouwenopvang. Deze ervaringskennis maakte invoelbaar en concreet wat incest en misbruik doen met het leven van mensen. Wetenschappelijke kennis en ervaringskennis versterkten elkaar en maakten duidelijk dat het niet ging om incidenten, maar om een structureel maatschappelijk probleem. Toch leidde dit niet vanzelf tot verandering. Het activisme van de vrouwenbeweging en de professionaliteit van de vrouwenhulpverlening waren nodig om seksueel geweld politiek en maatschappelijk te agenderen.
Iedereen die werkt in de zorg , welzijn of jeugdhulp weet: het zijn niet de protocollen, projecten of beleidsnota’s die het verschil maken, maar de mensen die blijven.
Dit artikel bouwt voort op het essay Het geheim van de lange relatie: Permanente vernieuwingsdrang ondermijnt het sociaal domein dat in augustus 2022 verscheen bij Movisie (online vindbaar via movisie.nl, zoek op: ‘verschenen essay geheim lange relatie’). In dat essay werd al betoogd dat tijdelijkheid, wisseling en discontinuïteit het sociaal domein beheersen, terwijl juist vertrouwdheid, vaste contacten en langdurige betrokkenheid de onderliggende voorwaarden zijn voor effectiviteit. Nu, ruim drie jaar later, kijken we opnieuw — met nieuwe data en inzichten — naar hoe dit ‘geheim van de lange relatie’ zich ontwikkelt in de praktijk, in het beleid en in de wetenschap. We nemen onder de loep: de huisartsenzorg, de wijkverpleging, de ggz, de jeugdzorg en het sociaal werk. Daarnaast schetsen we recente kennis over falende verzorgingsstaatsystemen en over de mogelijkheden om continuïteit, trouw én vernieuwing hand in hand te laten gaan.
De professional die niet na drie maanden vertrekt, maar jarenlang aanwezig blijft en een relatie opbouwt. De huisarts die zijn patiënt kent, de wijkverpleegkundige die terugkeert bij dezelfde cliënt, de jeugdhulpverlener die een kind écht volgt, de sociaal werker die volledig vertrouwd is met een buurt. Dat is het ‘geheim van de lange relatie’ – het inzicht dat duurzame, betrouwbare relaties de belangrijkste voorwaarde zijn voor kwaliteit, herstel en vertrouwen.
Tussen 2022 en 2025 is in vrijwel alle publieke sectoren – van huisartsenzorg tot sociaal werk – de aandacht voor het belang van continuïteit gegroeid. Een van de meest duidelijke tekenen daarvan was de oratie De kracht van continuïteit die Otto Maarsingh in maart 2025 hield bij zijn aantreden als hoogleraar ‘in het bijzonder continuïteit van zorg’ aan het Amsterdam UMC. Dit laat zien hoe continuïteit van zorg de afgelopen jaren is uitgegroeid tot een institutioneel erkende, wetenschappelijk onderbouwde kernwaarde van de huisartsgeneeskunde.
In zijn rede stelt Maarsingh dat continuïteit ‘geen sentiment uit vervlogen tijden’ is, maar ‘een potentiële parallelle probleemoplosser voor uitdagingen van de toekomst’. Hij benadrukt dat er inmiddels sprake is van ‘een muur van wetenschappelijk bewijs’ voor de effecten van continuïteit: minder sterfte, minder zorggebruik en meer vertrouwen.
Professionals in het Sociaal Domein bij gemeenten zijn voortdurend bezig met de vraag: hoe bereiken we mensen die recht hebben op hulp én dat nodig hebben? Innovaties en tools kunnen daarbij helpen. De vervolgvraag is: hoe zorgen we dat de kennis over deze innovaties en tools wordt gedeeld, zodat ook andere gemeenten ervan kunnen leren?
Aan de hand van het HuisHoud- Boekje – een digitale innovatie waarmee inwoners van de gemeente Utrecht overzicht krijgen over hun eigen geld - laten we zien dat kennis die werkt ontstaat als gemeenten niet alleen innovaties en tools delen, maar ook de ervaringen en inzichten die eraan ten grondslag liggen.
In dit artikel laten we de professionals van de gemeente Utrecht aan het woord die verantwoordelijk zijn voor de innovatie het HuisHoudBoekje. Daarnaast reflecteren we, samen met Michel van Schaik (manager Kenniscentrum Innovatie van VNG), op de manier waarop kennis over innovaties beter kan worden gedeeld.
Het HuisHoudBoekje als bron van kennis We spreken Tom Derrez (teamleider HuisHoud- Boekje) en Monique Reinierkens (projectleider HuisHoudBoekje). ‘Een jaar of acht geleden zijn we begonnen, toen nog als project. Inmiddels is het echt onderdeel van onze vaste dienstverlening’, vertellen Tom en Monique.
Bron van kennis voor inwoners
‘Binnen de gemeente Utrecht hebben we het team Schuldhulpverlening. Dit team helpt inwoners die zo erg in de financiële problemen zitten dat ze er zelf niet meer uit kunnen komen. Maar er is ook een groep inwoners die daar (nog) niet zit, maar wel geldstress heeft. En geldstress zorgt voor andere problemen zoals spanningen in het gezin of sociale isolatie. Voor deze laatste doelgroep zijn we als gemeente Utrecht met het HuisHoudBoekje gestart.
In het sociaal domein wemelt het van rapporten, onderzoeken en beleidsstukken. Toch blijven wachttijden oplopen en worstelen professionals steeds meer met complexe vraagstukken. Tim Haarlemmer, medeoprichter van systemisch innovatiebureau Shoshin, ziet dagelijks hoe kennis alleen niet leidt tot verandering. ’Er is sprake van kennisfetisjisme: het overschatten van de kracht van weten’, zegt hij en: ‘Echte verandering vraagt om handelen in de praktijk, met alle onzekerheid die daarbij hoort.’
De veranderwaarde van kennis
Voor Tim is kennis alleen interessant als die beweging oplevert in de praktijk: een kwetsbare inwoner die beter geholpen wordt, minder mensen op een wachtlijst, een professional die anders gaat handelen. ‘Kennis geeft een mindset, een beeld van de wereld. Maar verandering ontstaat pas als je iets doet.’ Hij maakt de vergelijking met het naleven van een gezonde leefstijl. Zo blijkt uit onderzoek dat ook mensen na een hartinfarct precies weten wat ze moeten veranderen – niet roken, minder drinken, meer bewegen – en het tóch niet doen of volhouden.
Een pijnlijk voorbeeld van hoe inzicht alleen maar een klein stukje van duurzame gedragsverandering verklaart en dat voor echte verandering veel meer nodig is. Tim benadrukt dat kennis waardevol is, maar ook dat het zelden direct toepasbaar is: ‘Ik heb boekenkasten vol, maar minder dan een half procent pas ik echt toe’. Volgens hem investeren we enorm in onderzoek en beleid, maar veronachtzamen we tegelijkertijd de barrières – zoals handelingsverlegenheid, gebrek aan vertrouwen of gezamenlijk eigenaarschap - in de praktijk. Als het spannend wordt – voor een wethouder, een bestuurder, een professional – is het veiliger om te vragen om extra onderzoek dan om samen een eerste stap te zetten waarvan de uitkomst nog niet vaststaat. Durf te zeggen: ‘We weten nog niet alles, maar we gaan van start in de praktijk. Samen leren we onderweg wat werkt, door stap voor stap te veranderen’.
Urgentie werkt volgens hem daarbij twee kanten op. Enerzijds kan het verlammend werken: de druk van rapporten, deadlines en politieke aandacht kan organisaties in een kramp zetten. Anderzijds kan urgentie juist ook de motor zijn van verandering. ‘Soms is wanhoop de motor die beweging brengt. Je moet kiezen, ook zonder zekerheid.’ Hij vergelijkt het met opvoeden: je kunt eindeloos lezen over pedagogiek, maar op een gegeven moment moet je een keuze maken voor je kind. ‘In je privéleven doe je dat vanzelf. In je professionele leven verschuilen we ons vaak achter nog een onderzoek. We moeten leren verdragen dat we het niet altijd weten.’
Het sociaal domein vraagt al jaren om verandering. Toch blijft vernieuwing vaak steken in de pilotfase en blijft grootschalige verandering uit. Twee voorbeelden — het Toekomstscenario Kinden Gezinsbescherming2 en Het Bouwdepot3 — laten zien hoe we uit de planmatige kramp komen en echte transitie mogelijk maken zodat het sociaal domein zo goed mogelijk de mensen ondersteunt voor wie het bestaat.
De paradox van urgentie
Wie werkt in het sociaal domein weet: de problemen zijn groot, hardnekkig en vaak schrijnend. We zien een stijgende zorgvraag, overbelaste professionals, systemen die mensen die al worstelen nóg meer belasten, en vormen van controle die diep ingrijpen — denk aan de problemen in de jeugdbescherming, schuldenproblematiek of het toeslagenschandaal.
Tien jaar geleden heette het nog ‘transitie’, daarna ‘transformatie’, maar ondanks alle wetswijzigingen, programma’s, akkoorden en pilots ervaren professionals meestal alleen maar hogere werkdruk, neemt de complexiteit toe en blijven de maatschappelijke kosten stijgen. De zogenaamde ‘transitie’ in 2015 ambieerde om meer maatwerk dichterbij mensen te kunnen leveren, maar veel professionals ervaren dat hun autonomie eerder is gekrompen dan gegroeid.
Het sociaal domein zit in een lock-in: dezelfde uitkomsten worden gereproduceerd doordat bij pogingen tot vernieuwing wordt voortgebouwd op de bestaande logica (kaders, cultuur, denkpatronen, organisatiestructuren) van een systeem dat al vastzit.
Het lijkt er dan ook sterk op dat juist de urgentie en wens om te 'transformeren' vooral heeft geleid tot meer planmatige controle en meer risicobeheersing. De breed gevoelde urgentie voor verandering lijkt zich te vertalen in meer van hetzelfde. Vanuit een cultuur van wantrouwen worden professionals gestimuleerd zich achter procedures te verschuilen, met als gevolg dat kwetsbare mensen worden overbelast.
Dit leidt tot een systeem waarin de kans op falen toeneemt en de kosten structureel stijgen. Zo is er in de kind- en gezinsbescherming een ‘estafettemodel’ ontstaan, waarbij elke partij in de keten casuïstiek doorgeeft aan de volgende, die weer eigen onderzoek en hulpverleners inzet. Huishoudens krijgen hierdoor vele gezichten over de vloer om te bepalen wat nodig is, met als gevolg dat de daadwerkelijke inzet van effectieve hulp vaak lang op zich laat wachten terwijl de onveiligheid in het gezin toeneemt. Het beloofde maatwerk van de Jeugdwet door dichter bij gezinnen te gaan staan, is ver te zoeken. Ook op het gebied van bestaanszekerheid speelt er lock-in. Systemen rondom uitkeringen, toeslagen en huisvesting benaderen mensen vanuit wantrouwen en controledrang.
In veel organisaties in de jeugdzorg is inmiddels een nieuwe generatie ervaringsdeskundigen actief: ouders en jongeren die hun eigen geschiedenis hebben doorleefd en deze ervaringen omzetten in bruikbare kennis voor beleid en praktijk.
Een van hen is Sjoek de Vries, een moeder die jarenlang met haar gezin door de jeugd-ggz bewoog. In dat landschap zag zij hoe snel systemen inzoomen op het kind, met behandelpaden, protocollen en trainingen, terwijl het gezin als geheel vaak buiten beeld bleef. Wat Sjoek onderscheidt, is niet alleen haar persoonlijke verhaal, maar vooral de manier waarop zij dat heeft vertaald naar haar werk: eerst dertien jaar als onafhankelijk vertrouwenspersoon voor jongeren en ouders, later als ervaringsdeskundige in netwerken als Zebra. Daar, aan overlegtafels en in casusbesprekingen, leerde zij het onderscheid tussen ikkennis en wijkennis, tussen haar eigen verhaal en de bredere patronen en uitzonderingen die zichtbaar worden over veel gezinnen heen. Niet: ‘mijn verhaal ís de waarheid’, maar: ‘verschillende verhalen samen helpen om patronen te zien, zodat er bescheidenheid en ruimte is voor alles wat niet in mijn verhaal past’.
De gedeelde verklarende analyse: rode draad, geen blauwdruk
In haar huidige werk kijkt deze ervaringsdeskundige door de bril die binnen Zebra en het Bovenregionaal Expertise Netwerk steeds vaker opgezet wordt: die van de gedeelde verklarende analyse. Dat is geen nieuw etiket voor diagnostiek, maar een gezamenlijke leeroefening waarin ouders, jongeren, hulpverleners en soms onderzoekers samen zoeken naar de oorzaak en verbanden van onbegrepen gedrag: waarom laat dit kind dit gedrag zien, op dit moment, in deze situatie?
Dat vraagt om een brede blik die verder kijkt dan de meest in het oog springende symptomen: naar gezinspatronen, school, prikkelniveau, stressfactoren, ingrijpende gebeurtenissen, trauma’s, temperament, leerstijl én beschermende factoren: de vaak vergeten ‘positieve haakjes’. Diagnoses kunnen daar onderdeel van zijn, maar worden niet langer als hoofdverklaring voor al het gedrag gebruikt. Tijd nemen, verbinden, nieuwsgierig zijn en in contact komen met het hele gezin vormen de kern. Een moeder vertelde over een boswandeling met het hele gezin en een doortastende systeemtherapeut. De therapeut nodigde moeder daarna uit om samen te kijken naar wat zij waarnam in de interactie tussen haar en haar ‘thuiszittende’ zoon met autisme en naar de eigen kwetsbaarheden die zij met zich meedroeg. Na twee jaar, drie gezinstrajecten en een ‘moedertraject’ bleek hulp niet meer nodig en ging haar zoon weer ‘gewoon’ naar het reguliere onderwijs.
Gedeelde betrokkenheid bij gezinnen die op zoek zijn naar herstel na siblingmisbruik vormt de basis voor een langdurige samenwerking in onderzoek. Andere lessons learned zijn: handelen vanuit een gedeeld werkprincipe, erkenning van elkaars expertise, samen dingen doen, tussentijdse producten voor de praktijk en een nieuwsgierige geest om te leren.
Onderzoek naar werkwijze van CLAS
In het begin van de jaren 2010 ontstond er bij de Rading Jeugd- en Opvoedhulp behoefte om de eigen behandelwerkwijze na seksueel misbruik te spiegelen aan recente inzichten over traumabehandeling. Die behoefte vanuit de praktijk vormde het vertrekpunt voor een samenwerking in onderzoek tussen het lectoraat Duurzame zorg van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en de Rading. De Rading biedt specialistische jeugdhulp aan kinderen en gezinnen in Midden-Nederland, waaronder gezins- en traumabehandeling na seksueel misbruik. In het werkveld is deze therapie bekend onder de naam ‘CLAS’ (Contextuele Leergroepen voor Alle betrokkenen bij Seksueel Misbruik). Deze methode is ontwikkeld in 1995 vanuit het contextuele gedachtegoed van de Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy. De contextuele therapie is een vorm van gezinstherapie die onderliggende, veelal onbewuste motieven binnen gezinsrelaties onderzoekt.
Seksueel misbruik wordt binnen de contextuele therapie gezien als een ernstige beschadiging van onderling vertrouwen; tegelijkertijd vormt het menselijk verlangen elkaar wederzijds recht te doen in gezinsrelaties het belangrijkste aanknopingspunt voor herstel (Boszormenyi- Nagy & Krasner, 1986; Simons et al., 2024).
Het lectoraatsonderzoek maakte duidelijk dat bij behandeling, na seksueel misbruik in een gezin, aandacht moet zijn voor zowel het hele gezin als voor de individuele kinderen. Dit werd beschreven in een publicatie voor Kind & Adolescent (Simons & Verduijn, 2017). De Rading gebruikte de onderzoeksresultaten om de eigen werkwijze verder te innoveren door het implementeren van kinddiagnostiek. Het viel de onderzoekers van de CHE op dat de Rading ook gezinnen behandelt na misbruik in de broer-zusrelatie, waar een andere dynamiek speelt dan bij misbruik door een volwassene.
Een eerste verkenning wees uit dat er geen Nederlandstalige informatie bestond over broer-zusmisbruik (hierna: siblingmisbruik). Ook internationaal wetenschappelijk onderzoek naar siblingmisbruik en behandeling bleek zeer beperkt. Deze constatering vormde het startpunt voor een vervolgonderzoek naar siblingmisbruik, en een vervolg in de samenwerking tussen de Rading en een van de onderzoekers. Het onderzoek richt zich op de ervaringen van therapeuten, een gezin, ouders en jongeren die een behandeling hebben gekregen. Daarnaast wordt onderzocht wat, vanuit meerjarige dossierstudie, risicofactoren voor siblingmisbruik zijn.
Tien jaar geleden noemde Lyn Berger impact ‘het toverwoord van deze tijd’. Trouw-redacteur Edwin Kreuken stelde zo’n zes jaar later (2020) vast ‘dat alles maar tegenwoordig impact heet’. Het invasieve leenwoord lijkt vandaag de dag met een nog hogere frequentie in alle mogelijke circuits op te duiken. In politiek, beleid, wetenschap, kunsten, sport, bedrijfsleven, ja ook in het sociaal domein.
Er zijn inmiddels impactgedreven organisaties, onderzoeksbureaus, managers, trainingsinstituten en fondsen. Werkgevers vragen in personeelsadvertenties om personeel dat impact weet te realiseren. Dit artikel richt zich op uitvoeringspraktijken van sociaal werk. Ook daar is ímpact een thema geworden. Geen enkele maatschappelijke organisatie kan het negeren, alleen laat impact zich in het sociaal werk bijna nooit in successlogans of klinkende statistiek vangen. Impact laat zich daarentegen wel vaak aflezen in subtiele en betekenisvolle details. In dit artikel betogen we dat het belangrijk is om deze subtiele vormen van impact te erkennen en te benutten.
Het gaat erom dat we inzien dat impact geen eindresultaat is, maar wordt bewerkstelligd in de dagelijkse praktijk van het sociaal werk. En dat vraagt om een hoge mate van professionaliteit. Het is belangrijk om daar oog voor te hebben.
In het sociaal werk duikt het woord ‘impact’ altijd in twee contexten op. In de eerste gaat het om personen of organisaties die impact nastreven, zoals het verminderen van eenzaamheid, het versterken van het samenleven in buurten of het re-integreren van exgedetineerden. Het zijn enkele willekeurige voorbeelden.
In de tweede context gaat het om personen, organisaties of samenlevingen die impact ondergaan. Denk aan de impact van opgroeien in armoede, of van ouder worden met een beperkt sociaal netwerk om je heen. Maar ook aan de gevolgen (impact) van grote gebeurtenissen op de levens van mensen. Slachtoffers van de toeslagenaffaire en vluchtelingen uit bijvoorbeeld Oekraïne en Syrië kunnen daarvan getuigen. De voorbeelden maken duidelijk dat het woord ‘impact’ geen nieuw concept is, maar een verzamelwoord voor wat ook kan worden aangeduid met ‘uitwerking’, ‘doorwerking’, ‘invloed’, ‘effect’, ‘resultaat’, ‘bereik’ of ‘outcome’. In het geval van ‘impact’ is er sprake van herlabeling. Je zegt met ‘impact’ eigenlijk hetzelfde, maar het bijna-synoniem geeft de suggestie van iets nieuws, fris en krachtigers. We gaan impact maken!
Polarisatie wordt vaak samengevat als ‘wij-zij-denken’ en sociaal werkers merken dat deze tegenstellingen tussen mensen steeds vaker voorkomen. Gesprekken verharden sneller, mensen raken eerder gekwetst en emoties lopen snel op. Tegelijk is er veel verwarring en onduidelijkheid over wat polarisatie precies is. Juist doordat er zoveel aandacht is voor polarisatie op tv, in kranten en op sociale media wordt dit versterkt. Daarom is het nodig om scherp te hebben wat polarisatie nu precies is en wat het veroorzaakt. Voor sociaal werkers is het namelijk nodig om hier weet van te hebben om vervolgens daar goed naar te kunnen handelen. Die begripsverheldering vormt een eerste vorm van handelingsrelevante kennis: kennis die niet losstaat van de praktijk, maar direct richting geeft aan professioneel handelen. In exploratieve gesprekken met sociaal werkers, voortkomend uit ons onderzoek naar polarisatie, zien we dat van hen niet alleen wordt gevraagd spanning te herkennen, maar ook dat ze hun morele kompas moeten gebruiken.
Het vraagt handelen vanuit waarden als rechtvaardigheid, nabijheid en menselijke waardigheid.
Het vraagt dat sociaal werkers durven duiden waar het schuurt en waarom. In dit artikel brengen we verschillende vormen van kennis samen: wetenschappelijke kennis over polarisatie, ervaringskennis uit de dagelijkse praktijk van sociaal werkers en professionele kennis over positionering, proces en moreel handelen. Het is juist het samenspel tussen deze kennisbronnen dat het mogelijk maakt om polarisatie niet alleen te begrijpen, maar er ook daadwerkelijk mee te werken. We onderzoeken hoe sociaal werkers koers kunnen houden in gepolariseerde situaties. Daarbij laten we zien hoe sociaal werkers als vakmensen kunnen bijdragen aan ‘de-bubblificatie’: het openen van de ramen tussen onze verschillende leefwerelden. Polarisatie vraagt dus geen stille/neutrale professionals. Het vraagt een scherper kompas. Daar begint het vakmanschap dat sociaal werk vandaag nodig heeft.
Zij krijgen niet altijd een luisterend oor of begrip en worden bovendien vaak geconfronteerd met hardnekkige stigma’s en vooroordelen. Volgens Lee (2023), directeur van Single SuperMom, worden deze vrouwen vaak weggezet als profiteurs of instabiele werknemers. Meulenbelt (2020) schrijft ook over het feit dat men vindt dat alleenstaande moeders leven op de zak van ’hardwerkende belastingbetalers’ en dat ze ’dankbaar moeten zijn als ze bijstand krijgen’. Zulke harde woorden doen deze vrouwen onrecht. Voor een aantal vrouwen geldt dat hun leven anders verloopt dan gepland. In plaats van kritiek is er behoefte aan oprechte steun en opbouwende begeleiding. Tegelijkertijd groeit in de media ook de aandacht voor de veerkracht van deze moeders. Zo lezen we op de website Nu.nl een artikel van Vermeeren (2025) waarin beleidsmedewerker Bram Hodes van Stichting Single SuperMom alleenstaande moeders ’de actiefste mensen’ noemt die hij kent.
Nu deze groep groeit en met hardnekkige problemen kampt, is meer maatschappelijke aandacht nodig om hun perspectief te verbeteren. Bovendien houdt hulp aan moeders indirect ook in dat hun kinderen worden ondersteund. Dit biedt deze kinderen een stabieler fundament en vergroot de kans op volwaardige maatschappelijke participatie op latere leeftijd.
Er is in 2021 een nieuwe wet Straffen en Beschermen gekomen waardoor het beleid met betrekking tot voorwaardelijke invrijheidsstelling, detentiefasering en verlof is gewijzigd, waarbij een grote nadruk ligt op het vertonen van goed gedrag door de gedetineerden om privileges en toegang tot re-integratietrajecten te kunnen krijgen.
Deze nieuwe wet heeft als doel om de maatschappij veilig te houden, de re-integratie van ex-gedetineerden te bevorderen en de recidivecijfers te laten dalen. Recidivecijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) laten echter zien dat dit doel onvoldoende wordt bereikt. Het is dan ook waardevol om in een PI zelf te onderzoeken hoe het beleid in de praktijk uitpakt en wat voor effect het heeft op zowel gedetineerden als medewerkers. Het lectoraat Mind the Gap heeft een dergelijk onderzoek uitgevoerd, met als doel om de dienstverlening aan gedetineerden (en daarmee aan de maatschappij) te evalueren en verbeteren.
Voorkomen van (hernieuwd) daderschap door inclusie Het vierjarige project Inclusie en Veiligheid van Avans Hogeschool onderzocht welke factoren bijdragen aan het verbeteren van de dienstverlening aan risicogroepen, met als doel (hernieuwd) daderschap te voorkomen door middel van inclusie. Voor klantfeedback op deze dienstverlening binnen een penitentiaire inrichting (PI) in Nederland zijn interviews afgenomen met zeven gedetineerden (waaronder leden van de gedetineerdencommissie), één ex-gedetineerde, zes professionals en één lid van de Commissie van Toezicht (CvT). Gezamenlijk geven zij een beeld van het beleid en klimaat in de PI. In eerste instantie werd in de interviews specifiek gevraagd naar de ondersteuningsbehoeften van gedetineerden om de overgang van detentie naar terugkeer in de samenleving beter te laten verlopen. Al snel bleek echter dat in de gesprekken ook andere thema’s naar voren kwamen die van invloed zijn op hoe iemand naar buiten komt, zoals de afhankelijkheid van het systeem, het sturen op gedrag via straffen en belonen, en de relatie met en de afhankelijkheid van het personeel. Deze thema’s worden hieronder beschreven, waarbij steeds de koppeling wordt gemaakt met de terugkeer van gedetineerden in de maatschappij.
Van weten naar durven
De roep om ‘kennis die werkt’ klinkt steeds luider in het sociaal domein. Professionals, beleidsmakers en bestuurders zoeken naar manieren om inzichten uit onderzoek, praktijk en beleid te laten doorwerken in het dagelijks handelen, zodat resultaten voor inwoners en medewerkers échte impact hebben. Maar het is niet eenvoudig om kennis tastbaar en duurzaam te maken. Hoe zorg je ervoor dat kennis niet blijft hangen in modellen, rapporten en evaluaties? Hoe wordt ze omgezet in actie - en hoe blijft die actie verbonden met de bedoeling: het versterken van mensen, teams en gemeenschap?
Als onafhankelijk adviseur, groepsopvoeder, beleidsmaker, schrijver en coach heb ik ruim veertig jaar kunnen experimenteren met deze vraagstukken. Daarbij viel het me op: kennis werkt pas echt als ze door mensen tot leven wordt gebracht – door denkers die reflecteren, doeners die handelen, en verbinders die schakelen tussen deze werelden. Ik pleit daarom voor een herwaardering van vakmanschap: het meester-gezelmodel. Niet als nostalgie, maar als antwoord op de vraag hoe kennis duurzaam landt, wordt doorgegeven en doorgroeit in het sociaal domein. Kennis gaat pas werken als iemand het aandurft om midden in de situatie te handelen, inclusief alle onzekerheid, toeval en rafelranden die je nooit in een onderzoeksopzet krijgt.
Je zou ook kunnen zeggen: ik zie graag de menselijke maat weer terug in het werk met en voor mensen. Waren onze ouders niet eigenlijk de eerste ‘meesters’ die ons als ‘gezellen’ het vak van opvoeden leerden? En ja, dat gaat soms gruwelijk mis, maar voor het overgrote deel van onze samenleving werkt dit leerproces al generaties lang. In het sociaal domein zijn we bijna verslaafd geraakt aan pilots, evaluaties en ‘evidence’ voordat we überhaupt een eerste stap zetten. Maar het wezen van menselijk contact – opvoeden, begeleiden, samenwerken in de wijk – laat zich maar ten dele vangen in protocollen en effectmetingen. Het is juist de combinatie van situatie in het moment, onverwachte omstandigheden én professioneel vakmanschap die bepaalt of kennis gaat leven of dood op papier blijft.
Tim Haarlemmer verwoordt het scherp: kennis verandert niemand. Pas als mensen samen gaan oefenen in het echte werk, wordt er echt iets anders. Het probleem in het sociaal domein is zelden een gebrek aan kennis, maar eerder wat we wel en niet durven doen met wat we al weten.
Sociale professionals richten zich op de participatie van burgers en hun functioneren in de samenleving, met als doel het welzijn van individuen, groepen en gemeenschappen te vergroten. Zij werken vanuit principes van sociale rechtvaardigheid, collectieve verantwoordelijkheid en respect voor diversiteit. In hun werk versterken zij de eigen kracht en het initiatief van burgers, verbinden zij burgers onderling en leggen zij verbindingen tussen burgers en instanties. Dit zijn complexe processen waarin uiteenlopende belangen vaak op gespannen voet met elkaar staan.
De beroepsvereniging van sociaal werkers (BPSW, 20224) zet sterk in op verdere professionalisering, waarbij behoefte bestaat aan meer kennis over ‘wat werkt’. Om bij te dragen aan oplossingen voor complexe maatschappelijke vraagstukken rondom zogenoemd ‘onbegrepen gedrag’ voert het lectoraat GGZ en Samenleving participatief actie-onderzoek (PAR) uit (Abma et al., 20191) . Beleid en veranderingen worden vaak ontwikkeld zonder voldoende betrokkenheid van de mensen om wie het gaat, wat kan leiden tot problemen of onrechtvaardigheid bij de uitvoering.
Dit werd bijvoorbeeld zichtbaar bij de toeslagenaffaire. In participatief actie-onderzoek werken alle belanghebbenden vanuit zowel de leefwereld als ‘het systeem’ samen aan praktijkverbetering, waarbij leren, veranderen en kennisontwikkeling gelijktijdig plaatsvinden. Daarbij is het proces even belangrijk als de uiteindelijke producten of interventies. Sociale professionals werken in complexe, levensechte situaties waarin niet alle factoren te controleren zijn, maar wel meegenomen kunnen worden in het proces. Arts-based werkwijzen kunnen hierbij ondersteunend zijn10. In dit artikel wordt een voorbeeld beschreven van een participatief actieonderzoek in de Zwolse wijk Dieze-Oost, uitgevoerd door onderzoekers van hogeschool Windesheim in het kader van de Regionale Kennis werkplaats Onbegrepen Gedrag IJsselland.
In het sociaal domein houden we van pilots. Ze bieden ruimte om te experimenteren, los van de dagelijkse drukte en regels. Maar wie goed kijkt, ziet ook een ander patroon: na een paar jaar zijn professionals en inwoners enthousiast, liggen er mooie rapporten over (vaak) het succes van de pilot, en verdwijnt vervolgens de inzet van de pilot toch weer geruisloos. Hoe zorg je dat kennis niet verdwijnt in een la, maar daadwerkelijk gaat leiden tot structurele verandering en impact op schaal?
Mariska ziet in haar werk dan ook vaak dat succesvolle pilots onverhoopt stranden: ‘Eigenlijk nergens wordt goed geanticipeerd op borging en schaling. Daardoor valt het na afloop en na evaluatie vaak dood voor de pot.’ Wouter sluit daarbij aan: ‘In het ontwerp van pilots wordt zelden nagedacht over de randvoorwaarden voor schaling na de pilotfase. Het gevolg is dat pilots vaak eindigen als losse experimenten zonder vervolg.’ Professionals raken teleurgesteld: ze hebben energie gestoken in iets wat niet beklijft. Bestuurders kunnen ondertussen zeggen dat er ‘iets’ geprobeerd is, maar echte verandering blijft uit. ‘Je creëert je eigen ongeluk’, zegt Mariska.
‘Medewerkers gaan er vol enthousiasme in, boeken succes, maar daarna valt het stil.’ Veel pilots spelen zich af in wat Wouter een ‘regelvrije zone’ noemt. ‘Dat is een van de voordelen: je kunt bijvoorbeeld tijdelijk dingen doen die volgens de bestaande regels eigenlijk niet mogen of niet handig zijn. Je kunt bijvoorbeeld sneller schakelen, andere rollen uitproberen of met andere partijen samenwerken dan normaal.’ Maar precies daar zit ook een grote valkuil, volgens Mariska. Zo kent ze diverse gemeenten die stevig moeten bezuinigen op Wmo en jeugdzorg. Een van deze gemeenten wil voorzieningen collectiveren als algemene voorziening in het voorveld. ‘Op zich een begrijpelijke beweging’, volgens Mariska. Het probleem volgens haar is echter dat een deel van de voorzieningen niet past in de huidige Wmoverordening en aanbesteding.
Een pilot in een aantal wijken wordt vanuit de gemeente daarom als aantrekkelijk gezien en daar organiseert men dan ook nog wel de experimenteerruimte voor. De keerzijde is echter dat een welzijnsorganisatie daar dan ook organisatorisch op moet anticiperen, dat welzijnsmedewerkers met inwoners aan de slag gaan en dat het tegelijkertijd onzeker is of het juridisch en financieel schaalbaar en op de lange termijn houdbaar is. Met kans op organisatorische risico’s, maar vooral ook teleurstelling bij professionals én inwoners. ‘Na de pilot moeten resultaten geïmplementeerd worden in een ongewijzigde structuur. Dan loop je vast. De wet is niet aangepast, de verordening niet, de aanbesteding of subsidiecontext niet. Dan hoor je: ‘Ja, in de pilot kon het wel, maar nu moet er eerst een bredere politieke afweging volgen.’ ‘Die kost veel tijd’, aldus Mariska. Wouter vult aan: ‘En dat zorgt voor teleurstelling, want ondertussen is wel de indruk ]gewekt dat het prima zou kunnen.’
Om studenten op hogescholen beter toe te rusten met belangrijke levensvaardigheden is, voor hen en samen met hen, een levensvaardighedenspel ontwikkeld. In dit artikel worden de werking van en ervaringen met dit spel besproken, evenals suggesties voor verdere verbetering.
Een tijd van veel veranderingen en uitdagingen
Uit de recentelijke gezondheidsmonitor van jongvolwassenen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu [RIVM], 2025) blijkt dat 52% van de studenten in het hoger onderwijs hun mentale gezondheid als goed ervaart. Bovendien lijken studenten zich iets minder eenzaam en iets gelukkiger te voelen ten opzichte van een paar jaar geleden. Desondanks ervaren veel studenten gevoelens van stress (46,1%), mede door hun studie, werk of bijbaan en/ of eisen die zij aan zichzelf stellen.
Voor veel jongeren gaat de overstap naar het hoger onderwijs gepaard met grote veranderingen (Mulaudzi, 2023). Zo moeten zij vaak meer tijd besteden aan hun studiewerk in vergelijking tot hun middelbareschooltijd, waardoor het lastiger wordt om studie en privé in balans te houden. Daarnaast gaan studenten in deze levensfase vaak zelfstandig wonen, met of zonder leeftijdsgenoten, waardoor ze ook moeten leren om meer verantwoordelijkheden op zich te nemen en zich aan te passen aan anderen. Bovendien komen studenten vaak in een nieuwe sociale omgeving terecht waarin zij opnieuw relaties moeten opbouwen (Mulaudzi, 2023). Kortom, het leven van een student brengt voor veel van hen de nodige zorgen en uitdagingen met zich mee. Het is daarom van belang om tijdig aandacht te besteden aan de mentale gezondheid van studenten. Ondanks de problemen die sommige studenten ervaren, blijkt dat een derde van de studenten met mentale problemen geen hulp binnen of buiten hun onderwijsinstelling inschakelt (Nuijen et al., 2023).
Redenen die studenten hiervoor noemen zijn dat ze hun eigen problemen zelf willen oplossen, geen behoefte hebben aan hulp of denken dat hun problemen vanzelf over gaan. Bij 18% van de studenten die mentale problemen ervaart maar geen hulp zoekt, speelt schaamte een rol (Nuijen et al., 2023). Door geen hulp te zoeken lopen studenten het risico om langdurige stress te ervaren, wat een vergrote kans op een burn-out en uitval met zich meebrengt. Bovendien kost dit zowel de student als de onderwijsinstelling veel geld (Dopmeijer et al., 2021; Litjens & Ruijfrok, 2019).
In een trainingszaal liggen drie cirkels op de grond, als uitnodiging voor medewerkers om zich te positioneren: bij praktijkkennis, wetenschappelijke kennis of ervaringskennis, of misschien iets daartussenin.
In organisaties zoals Movisie, waar onderzoek, praktijk en leefwereld elkaar kruisen, bestaan vaak meerdere bronnen van kennis: de kennis uit onderzoek (wetenschappelijke kennis), de kennis van professionals in de praktijk (bij Movisie en in dit artikel gebruiken we praktijkkennis) én de kennis die voortkomt uit levenservaring (ervaringskennis). Deze bronnen werken meestal naast elkaar, maar zelden écht mét elkaar. Een grensontmoeting — een ontmoeting tussen verschillende kennisbronnen — laat zien hoe waardevol zo’n dialoog kan zijn.
Zo begint de grensontmoeting, waarbij sommige medewerkers strak in een cirkel staan, de wetenschap of de praktijk. Anderen zetten hun beide benen in twee cirkels – ze voelen zich tegelijk thuis in wetenschappelijke kennis en in de praktijk. Een deelnemer met onderzoeksachtergrond zei: ‘Onderzoek zet dingen in beweging — soms simpelweg omdat mensen het gevoel hebben dat iets “evidencebased” moet zijn. Maar bewijs is nooit waardevrij: het leeft alleen in een sociale werkelijkheid.’ Of zoals een praktijkwerker verwoordde: ‘Mijn werk draait om mensen, niet om modellen. Wat op papier klopt, kan in het echte leven alsnog totaal anders uitpakken.’
De groep met ervaringskennis – personen wiens kennis geworteld is in persoonlijke ervaringen – valt op: hun kennis zit niet in boeken of methoden, maar in hun eigen levensverhaal en in die van anderen, verweven met wie ze zijn.
Botsing van perspectieven
En dat schept spanning. Want in de organisatiestructuur, in hoe projectvoorstellen geschreven worden, in hoe beleid vorm krijgt, lijkt de cirkel van wetenschap net iets groter te zijn. De ‘officiële’ bronnen – onderzoeken, data, vakliteratuur – lijken zwaarder te wegen dan wat je ‘gewoon hebt meegemaakt’. Tijdens de grensontmoeting wordt dat voelbaar. Zoals een ervaringsdeskundige het verwoordt: ‘Ik spreek niet vanuit boeken of rapporten.
Ik spreek vanuit ervaringen, maar dat maakt mijn kennis niet minder waard — alleen anders.’ Ook veel praktijkwerkers ervaren dat hun kennis lager wordt gewaardeerd dan wetenschap. ‘Soms voelt het alsof mijn jarenlange ervaring slechts voetnoten zijn bij het “echte” bewijs.’ Dat illustreert hoe praktijkkennis vaak minder zwaar telt dan wetenschappelijke kennis — ook al is ze onmisbaar om beleid en interventies ‘werkbaar’ en passend te maken.
Gescheiden werelden?
De drie werelden — praktijk, wetenschap, ervaring — zijn vaak gescheiden. Ze spreken andere talen, hanteren andere normen, en hun waardering is niet gelijk. Dat verschil maakt samenwerking lastig, kwetsbaar, onzeker. Hoewel ervaringskennis veel toevoegt, voelen ervaringsdeskundigen soms remmingen: ‘In sommige overleggen durf ik nauwelijks in te haken. Je voelt dat jouw manier van weten niet vanzelfsprekend wordt gezien als kennis.’ Terwijl hun aanwezigheid essentieel is: ervaringskennis brengt empathie, scherpte en realisme die anders ontbreken.
Hoewel professionals in het sociaal domein voortdurend leren, gaan veel waardevolle inzichten vaak verloren door de drukte van projecten, wisselende samenwerkingen en systeemgrenzen. Hoe maken we leren onderdeel van het werk zélf, zodat kennis blijft, wordt benut en doorwerkt voor inwoners?
De uitdaging: waarom kennis in het sociaal domein zo moeilijk doorwerkt
In het sociaal domein wordt elke dag geleerd. Leren is het proces waarin je samen nieuwe inzichten opdoet en uitprobeert; kennis is wat je daarvan expliciet maakt, vasthoudt en deelt. Professionals stemmen af, passen interventies aan en vinden creatieve oplossingen voor complexe situaties. Maar veel van die kennis vervliegt net zo snel als zij ontstaat. Niet omdat mensen niet willen leren, maar omdat het werk zo georganiseerd is dat leren zelden de ruimte krijgt om zichtbaar te worden — bijvoorbeeld door te benoemen wat we hebben geprobeerd, wat dat opleverde en wat we vervolgens anders gaan doen — laat staan om duurzaam door te werken. Veel initiatieven worden gefinancierd via tijdelijke projecten of subsidies. Dat geeft innovatiekracht, maar maakt kennis kwetsbaar: zodra een project stopt of een kartrekker vertrekt, raakt wat er is geleerd versnipperd of zelfs kwijt. Projectleiders vertrekken en teams beginnen opnieuw terwijl er juist behoefte is aan continuïteit, aan inzichten die meegroeien met de praktijk, in plaats van te verdwijnen met de mensen die ze hebben opgebouwd.
ALS EEN PROJECT STOPT
In een wijkproject rond eenzaamheid werd in twee jaar tijd veel geleerd over outreachend werken, bijvoorbeeld dat persoonlijk, laagdrempelig contact via sleutelfiguren in de wijk beter werkte dan algemene oproepen. Toen de subsidie afliep, stopte het project en viel het team uiteen. De lessen belandden in een eindrapport, maar werden niet omgezet in gedeelde werkafspraken of een vorm van overdracht, waardoor die kennis niet mee kon naar een volgende fase. Een jaar later startte een nieuw traject, met grotendeels dezelfde vragen en een (deels) andere samenstelling, zonder gedeelde herinnering aan wat eerder was geprobeerd.
In het sociaal domein wordt veel kennis geproduceerd en gebruikt. Rapporten, protocollen, richtlijnen en indicatoren spelen een belangrijke rol in beleid, sturing en verantwoording. Deze vormen van kennis zijn essentieel en hebben elk hun eigen waarde. Maar ze vertellen niet het hele verhaal.
Een groot deel van wat professionals weten en doen, laat zich niet eenvoudig vastleggen of formaliseren. Welke kennis telt, en wat erkennen we eigenlijk als kennis? Sommige vormen van weten genieten vanzelfsprekend aanzien, terwijl andere structureel worden onderschat. In dit artikel gebruik ik de ideeën van William James en Henri Bergson om anders naar kennis te kijken.
Doorvoelde kennis
Soms loopt een gesprek anders dan gepland. Aan de hand van wat de cliënt vertelt kun je de formulieren helder invullen, maar toch voel je dat er iets belangrijks onuitgesproken blijft. Je wacht, laat een stilte vallen of zegt juist iets bemoedigends. Dan verschuift er iets in het gesprek en je weet: nu raken we aan de kern van het probleem. Achteraf is dit moment vaak lastig te beschrijven, omdat het niet te vangen is in protocollen of regels. Misschien zeg je dat je je gevoel gevolgd hebt, of dat je je intuïtie hebt gebruikt. Dat klinkt al snel wat vaag of ‘soft’, terwijl juist dit ogenblik in het gesprek het verschil maakte.
Als professional weet je dat je handelen hier niet willekeurig was, maar voortkwam uit ervaring, aandacht en nabijheid. Tegelijkertijd weet je ook hoe moeilijk het is om dit soort kennis te laten meetellen, juist omdat zij ontsnapt aan de taal en formats van vastgelegde procedures. We noemen dit soort kennis: ‘doorvoelde kennis’.
Wie werkt in het sociaal domein weet dat veel beslissingen niet worden genomen op basis van vooraf vaststaande regels, maar in het moment zelf. Doorvoelde kennis ontstaat in contact met de ander, tijdens het gesprek. Je weet vaak al welke regels van toepassing zijn, maar hoe je die regels toepast, wordt pas duidelijk wanneer de situatie zich in alle concreetheid aandient. Er bestaat altijd een spanning tussen abstracte procedures en de rommelige werkelijkheid waarop zij moeten worden toegepast.
Sommige situaties liggen dichter bij de standaard waarop regels zijn gebaseerd, maar elke situatie betreft andere mensen en is daarom uniek. Als professional sta je voor de opgave om gestandaardiseerde kennis uit procedures en protocollen te vertalen naar mensen die zelf nooit ‘standaard’ zijn. In deze vertaalslag doe je een beroep op ervaring. Door talloze ontmoetingen heb je leren onderscheiden wat er in een specifieke situatie toe doet, waar je op moet letten en welke signalen betekenisvol zijn.
Kennis laten landen in de praktijk vraagt om meer dan het delen van resultaten. In de afgelopen jaren leerde ik als actieonderzoeker hoe kennis ontstaat in samenwerking met professionals, beleidsmakers en een adviseur cliëntperspectief. Het proces verliep soms zoekend en onwennig, maar bood gaandeweg meer verdieping en richting.
Wanneer samenwerking in het sociaal domein stokt, ondervinden jongeren met meervoudige, ernstige en langdurige problemen daarvan de gevolgen. Het gaat om jongeren (risicojeugd) die een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving, waarbij meerdere gemeenten en ketenpartners betrokken zijn. Juist in die context werd binnen de Academische Werkplaats Risicojeugd (z.j.) het project Van papier naar praktijk opgezet: een meerjarig actieonderzoek naar integraal werken met risicojeugd. Het doel: samen met betrokkenen kennis ontwikkelen én toepassen, zodat jongeren de zorg krijgen die ze nodig hebben.
Op dat project solliciteerde ik. Tijdens het sollicitatiegesprek kreeg ik een vraag die me sindsdien is bijgebleven: “Hoe voorkom je nou dat straks jouw onderzoek onder in een la belandt?” Het was een directe vraag; mijn antwoord kwam erop neer dat ik vond dat je met regelmaat en aandacht je resultaten moet delen, alsof je een plant verzorgt: alleen dan kan kennis groeien. Met die overtuiging startte ik aan dit actieonderzoek. Actieonderzoek draait om het samen met betrokkenen ontwikkelen van een gedeeld beeld van wat er speelt; en het al doende zetten van stappen die dit beeld verdiepen en bijdragen aan verbetering van de praktijk. Het is een cyclisch proces van uitproberen, terugkijken en opnieuw richting bepalen in terugkerende leersessies, waarin leren en handelen voortdurend met elkaar verweven zijn (Stringer & Ortiz Aragón, 2021).
Ik begon dit onderzoek met de overtuiging dat actieonderzoek helpt om kennis dichter bij de praktijk te brengen en zo impact te maken. Maar ik ontdekte al snel als actieonderzoeker dat dit niet vanzelf gaat. Het vraagt aandacht voor het proces, timing, relaties, de eigen rol en de weerstand en verwarring die daarbij ontstaan. Winter (1989) beschreef zes principes van actieonderzoek die helpen om hier bewust bij stil te staan: reflectie op aannames, leren in dialoog, gezamenlijke bron, risico, meervoudige structuur en theorie, praktijk en transformatie. Deze principes bieden een waardevol kader om mijn ervaringen van de afgelopen jaren te begrijpen: wat ging er goed én waar heb ik veel van geleerd (Rahman et al., 2021)?
Wie in de sociale zekerheid werkt, werkt ook altijd met taal. En die taal is niet neutraal; ze vormt actief hoe beleid tot stand komt en uitgevoerd wordt, en bepaalt de handelingsruimte van publieke professionals.
Dit artikel verkent deze ‘performatieve werking’ van taal in de sociale zekerheid, met de bijstand als centraal voorbeeld. Door te analyseren hoe waarden, woorden en werkelijkheden met elkaar verweven zijn, laten we zien hoe beleidstaal normatieve aannames bevat en praktijken stuurt. We maken zichtbaar hoe taal het beginpunt is van het verbeteren van de sociale zekerheid, en bieden een handelingsperspectief voor taalbewuste publieke professionals.
Woorden zijn daden
Zoals eerder gezegd: taal is niet neutraal. Als we over de buitenwereld spreken als ‘verrommeld’, dan moeten we opruimen. Als we spreken over ‘wildgroei’ van functies in organisaties, dan moeten we snoeien. En als we spreken over de politiek als ‘gefragmenteerd’, dan is het systeem stuk en moet het worden gelijmd. Taal beschrijft niet slechts de wereld om ons heen; het schept die wereld. Wat we zeggen, zien we ook, en we handelen daarnaar. Taal is daarmee performatief: het handelingsrepertoire reist direct mee met de talige keuzes die we maken.
Het is dus niet ‘geen woorden maar daden’; woorden zijn daden. Wie iets over een praktijk te weten wil komen, doet er daarom goed aan te beginnen bij de taal – het is de eerste bron van kennis. Dat zien we ook terug in de praktijk van de sociale zekerheid. Denk aan het verschil tussen ‘steuntrekkers’ en ‘uitkeringsgerechtigden’ voor het benoemen van de doelgroep van een sociale voorziening, of aan het typeren van de sociale zekerheid als ‘vangnet’ of ‘hangmat’. Zulke termen bepalen niet alleen welk beeld wordt opgeroepen, maar sturen ook het bijbehorende handelen, bijvoorbeeld op het terrein van fraudebestrijding of kansen(on)gelijkheid. Hetzelfde geldt voor het kwalificeren van een doelgroep als ‘laaggeletterd’ of als onderdeel van ‘de onderkant van de arbeidsmarkt’: zulke woorden zetten mensen neer in een schijnbaar vanzelfsprekende orde waaruit maar moeilijk te ontsnappen valt. Woorden scheppen werkelijkheden, en dat is niet slechts een interessant filosofisch inzicht. Het betekent dat de taal van de sociale zekerheid nooit neutraal kan zijn; nooit slechts een ‘verpakking’ van inhoud die door beleidsmakers is bedacht of van werk dat door uitvoerder wordt gedaan – als het domein van communicatieadviseurs.
Taal is al inhoud, onlosmakelijk verbonden met de professionele waarden die publieke professionals willen uitdragen. Taal vormt beleid en uitvoering en bepaalt daarmee de handelingsruimte van professionals in het sociaal domein. Een begrip uit de sociale zekerheid waar dat misschien nog wel het meest uit blijkt is de ‘bijstand’. Want waarom zit iemand in de bijstand – en niet bijvoorbeeld werkt met de bijstand, leeft van de bijstand of herstelt dankzij de bijstand? ‘Bijstand’ is diep verankerd in de verzorgingsstaat en wordt al snel als vanzelfsprekend beschouwd. Maar bewustzijn van de werking van taal laat zien dat het begrip een sterke morele en politieke lading draagt die richting geeft aan hoe we over mensen in de bijstand denken, spreken en handelen.
Registratie is meer dan een administratieve verplichting. Het maakt professionele kennis zichtbaar, stimuleert persoonlijke ontwikkeling en helpt organisaties kwaliteit te borgen. In dit artikel leggen we uit hoe beroepsregisters een instrument zijn waarmee je persoonlijke groei vormgeeft en wat de voordelen zijn voor de geregistreerde, de werkgever én de buitenwereld.
Kennis vastleggen
Elke afgestudeerde sociaal werker heeft tijdens de studie een fundament aan kennis opgedaan. Die kennis moet ook na het afstuderen worden onderhouden, toegepast en bijgesteld. De wereld verandert en het werkveld ook. Als professional moet je bijblijven. Registratie ondersteunt dit continue leren op verschillende manieren. Ten eerste vragen de registers van Registerplein dat je blijft leren: je scholing stopt niet met het behalen van een diploma. Geregistreerde professionals volgen bij- en nascholing en kiezen voor verschillende vormen van reflectie. Binnen het register Sociaal Werkers stellen geregistreerden een eigen ontwikkelplan op. Een register vormt daarmee niet meer het sluitstuk van het leerproces. Het is een instrument dat ook richting geeft aan dat leerproces: aan het begin van de registratieperiode zet de geregistreerde zijn koers uit en bepaalt in welk onderdeel hij of zij de kennis wil verdiepen. Voltooide scholing of reflectie wordt vastgelegd in het persoonlijke dossier van de geregistreerde professional en deze kan die informatie delen met derden.
Een instrument binnen het jongerenwerk
Een goed voorbeeld van hoe professionals hun persoonlijke ontwikkeling met Registerplein vormgeven is te vinden in het register voor kinderwerkers en jongerenwerkers. Als onderdeel van het aanmeldproces vult de kinder- en/of jongerenwerker een competentiematrix in. Dit is een vragenlijst die helpt om kwaliteiten in kaart te brengen. Deze kwaliteiten zijn ondergebracht in drie competenties: booksmart, streetwise en systeemsensitief. Een jongerenwerker met veel theoretische kennis is misschien wel ‘booksmart’ maar kan de ‘streetwise’ vaardigheden missen om jongeren op straat aan te spreken. De jongerenwerker bepaalt dus zijn of haar koers aan de hand van de uitkomst van de competentiematrix. Registers vormen dus een instrument dat helpt kennis en kunde te verdiepen én vast te leggen.