In deze editie van de Stand van de Jeugdzorg kijken we terug op tien jaar jeugdzorg onder gemeentelijke verantwoordelijkheid. Wat heeft de decentralisatie opgeleverd? Wat is er veranderd in het gebruik en de kosten van jeugdzorg en in de manier waarop de sector is georganiseerd? Wat gaat goed en waar zitten knelpunten?
Deze stand brengt de belangrijkste cijfers en trends over tien jaar decentralisatie samen. We beschouwen de verwachtingen van toen met de kennis van nu. Daarbij kijken we niet alleen naar cijfers, maar ook naar ervaringen uit de praktijk. Zo spraken we drie mensen die de decentralisatie van dichtbij hebben meegemaakt, vanuit verschillende perspectieven die de werkelijkheid achter de cijfers belichten.
Tot slot benoemen we de hardnekkige patronen die de JA waarneemt en die echte vooruitgang in de weg staan. Door deze te benoemen, willen we alle betrokkenen een spiegel voorhouden. Niet om te oordelen, maar om belemmeringen voor vooruitgang te helpen herkennen zodat er ruimte ontstaat om anders te denken, anders te handelen en gezamenlijk tot daadwerkelijk de beweging in te zetten om tot structurele verbeteringen te komen.
In het afgelopen decennium zijn drie terugkerende patronen te herkennen: we maken geen keuzes, we blijven op elkaar wachten en we voeren het ongemakkelijke gesprek niet. Het zijn patronen die de sector verlammen en doorbroken moeten worden. De voortdurende problemen in de jeugdzorg vragen alle capaciteit en middelen, waardoor de sector vastzit in een reactieve modus. Dat maakt structurele transformatie haast onmogelijk.
Het idee achter de decentralisatie
De decentralisatie van de jeugdzorg had als doel de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering) dichter bij de leefomgeving van kinderen en gezinnen te organiseren, door deze taken per 1 januari 2015 van de rijksoverheid en provincies over te hevelen naar de gemeenten. De gedachte was dat gemeenten beter in staat zouden zijn om maatwerk en integrale hulp te bieden, sneller problemen te signaleren en efficiënter samen te werken met lokale netwerken en voorzieningen. De bedoeling was het accent te leggen op preventie, vroege onderkenning van problemen en het versterken van de eigen kracht en het sociale netwerk van jeugdigen en hun ouders, in plaats van op zware en dure specialistische zorg. De vijf transformatiedoelen van de Jeugdwet:
Het versterken van het probleemoplossend vermogen van kinderen, jongeren, hun ouders en hun sociale omgeving
2. Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van ouders en het opvoedkundig klimaat van de sociale omgeving
3. Preventie en vroegsignalering
4. Het tijdig bieden van de juiste hulp op maat volgens het uitgangspunt ‘één gezin, één plan, één regisseur’
5. Minder regels voor professionals
De balans na tien jaar decentralisatie
Als we tien jaar na de decentralisatie de balans opmaken, blijkt dat de doelen van de Jeugdwet nog niet zijn gerealiseerd. De al decennia durende onvrede over het jeugdstelsel is door de decentralisatie niet weggenomen. Het beroep op specialistische jeugdzorg is onverminderd hoog en het beroep op lichtere zorgvormen is zelfs fors toegenomen. De afgelopen tien jaar is sprake geweest van een wildgroei aan jeugdzorgaanbieders. Exacte cijfers over het aantal aanbieders vóór de decentralisatie ontbreken, maar het algemene beeld is dat sinds 2015 het aantal jeugdzorgaanbieders fors is toegenomen. Jeugdzorg Nederland sprak onlangs van meer dan 6.000 aanbieders1. Een groot deel van de nieuwe aanbieders die sinds de decentralisatie tot de markt zijn toegetreden richt zich vooral op lichte vormen van zorg. Denk hierbij aan ondersteuning bij opvoedproblemen, hulp bij het omgaan met angst of stress of dagbesteding voor jeugdigen met problemen. Door de toename van dit aanbod lijkt de vraag ook te stijgen, waardoor steeds meer jeugdigen een vorm van jeugdzorg krijgen. Het is niet ondenkbaar dat een groot deel van deze zorgvragen ook, of zelfs beter, buiten de jeugdzorg opgepakt kan worden, bijvoorbeeld door schuldhulpverlening of in het onderwijs. Dit verschijnsel is overigens niet uniek voor de jeugdzorg: de NZa signaleert dat ook van de gezondheidszorg vaak een antwoord verwacht wordt op vragen die eigenlijk elders beantwoord zouden moeten worden en benadrukt het belang om hulpvragen niet alleen vanuit de zorg te benaderen2.