Het komt veel vaker, veel dichterbij en geraffineerder voor dan we willen weten: seksueel misbruik van kinderen. In elke schoolklas maken gemiddeld één of twee leerlingen het mee. Kindermisbruik gedijt bij duisternis, ziet hoogleraar Iva Bicanic: “Onze afweer houdt het gesprek erover tegen.”
Een woensdagmiddag op een zonovergoten en rustig terras aan de Amsterdamse waterkant. Een schril contrast met het onderwerp dat zich meestal in de duisternis afspeelt. Met het interview in de volle zon doe je Iva een groot plezier. “Dat komt door mijn afkomst”, lacht de hoogleraar en traumapsycholoog, wier Kroatische ouders begin jaren zeventig naar Nederland kwamen. Ondanks het zware thema straalt ze vaak iets opgewekts uit. Misschien maakt dat het makkelijker om te blijven luisteren en kijken, als zij er op tv, radio, online of in de krant over praat. Nooit omfloerst en altijd een helder licht schijnend op de vele kanten van seksueel kindermisbruik.
Zo ook vanmiddag. “Dat het bestáát is het belangrijkste dat we over kindermisbruik moeten weten”, begint de oprichter van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld haar verhaal. “Het geloven en verdragen ervan vinden we heel moeilijk. In onze nieuws-app zien we het elke dag voorbijkomen. Maar dat is een rationeel weten, ik wil dat we het ook emotioneel weten. En begrijpen dat kinderen volwassenen nodig hebben om het misbruik te stoppen. Dat zijn jij, ik, de familie, buren, leerkracht, huisarts... iedereen heeft een rol om het te detecteren.”