De maximale tijdelijke gevangenisstraf voor moord werd in 2006 verhoogd van twintig naar dertig jaar. Met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en Beschermen in 2021 moeten langgestrafte gedetineerden een groter deel van hun straf feitelijk uitzitten — vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling is nog slechts mogelijk tot maximaal twee jaar vóór het einde van de straf, waar dat eerder na twee derde van de straf kon. En in 2023 werd de maximale straf voor doodslag verhoogd van vijftien naar vijfentwintigjaar.
Deze beleidsveranderingen zijn niet zonder gevolgen. Momenteel zit een derde van alle gedetineerden in Nederlandse penitentiaire inrichtingen (PI's) een straf van drie jaar of langer uit. Dat aandeel zal de komende jaren verder stijgen. De vraag die dit oproept, is niet alleen hoelang mensen vastzitten, maar ook: wat doet het gevangeniswezen met hen? Welke omstandigheden treffen langgestrafte personen aan, en wat zijn de gevolgen daarvan voor hun welzijn, gedrag en terugkeer in de samenleving? Op verzoek van de Tweede Kamer deed het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum
(WODC) in 2025 uitgebreid literatuuronderzoek naar precies die vragen. In dit artikel worden de belangrijkste bevindingen van dat rapport samengevat en in perspectief geplaatst. Het gaat niet om de vraag óf detentie schadelijk is — dat is al decennialang bekend — maar om de vraag welke omstandigheden binnen de gevangenis het verschil maken, en hoe die kunnen worden verbeterd.
Het leefklimaat als analytisch kader
Het WODC-onderzoek maakt gebruik van het begrip leefklimaat: alle omstandigheden in detentie die van invloed zijn op het welzijn en gedrag van gedetineerden, zowel tijdens als na hun straf. Het leefklimaat is opgedeeld in zes dimensies: veiligheid, autonomie, contacten binnen de gevangenis (met personeel en medegedetineerden), contacten met de buitenwereld, zinvolle dagbesteding en de fysieke omgeving en faciliteiten. Aanvullend wordt het effect van het beveiligingsniveau apart behandeld. Voor elk van deze dimensies is gekeken naar effecten op drie uitkomstgebieden: welzijn en gezondheid, gedrag tijdens detentie (waaronder wangedrag en middelengebruik), en recidive en re-integratie na vrijlating. De onderzoekers analyseerden 168 empirische studies en 47 overzichtsstudies, gepubliceerd vanaf 2000, die betrekking hebben op gedetineerden met een straf van minimaal één jaar.
Bevindingen per dimensie
Veiligheid
Onveiligheid in de gevangenis hangt overtuigend samen met minder welzijn, meer wangedrag en hogere recidive. Wie slachtoffer wordt van geweld, intimidatie of diefstal, ervaart chronische stress die doorwerkt tot lang na vrijlating. Kwetsbare groepen — zoals zedendelinquenten en transgender personen — voelen zich significant minder veilig dan andere gedetineerden, met alle psychische gevolgen van dien. Opvallend genoeg vinden studies naar de relatie tussen onveiligheid en middelengebruik nauwelijks een verband, maar de bredere schade aan gezondheid en maatschappelijke re-integratie is duidelijk aangetoond.
Autonomie
Autonomie in detentie gaat over meer dan vrijheid van beweging. Het omvat keuzevrijheid, voorspelbaarheid van regels en procedures, en de mate waarin iemand invloed heeft op zijn eigen situatie (outcome control). Kwalitatief onderzoek laat zien dat een gebrek aan autonomie leidt tot stress, angst, frustratie en psychische problemen. Juist voor langgestrafte personen — die jaren in een systeem leven dat weinig zeggenschap biedt — kan dit cumulatieve schade veroorzaken. Studies laten ook zien dat meer autonomie samenhangt met lagere recidive, al is het causale mechanisme nog niet volledig opgehelderd.
Contacten met detentiepersoneel
De relatie tussen gedetineerden en de penitentiair inrichtingswerker is een van de best onderzochte dimensies van het leefklimaat. Zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek toont aan dat respectvolle, eerlijke bejegening door personeel samenhangt met meer welzijn en minder wangedrag. Gedetineerden die zich als mens behandeld voelen, gedragen zich anders dan degenen die voortdurend worden bejegend als een veiligheidsrisico. Dit principe van procedurele rechtvaardigheid — het gevoel én ervaren dat regels eerlijk worden toegepast — blijkt zelfs sterker samen te hangen met gedrag dan de inhoud van de regels zelf.