Woorden die werken: Hoe taal de praktijk van de sociale zekerheid vormt

Woorden die werken: Hoe taal de praktijk van de sociale zekerheid vormt

Productgroep Sozio 1 2026
3,90
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Wie in de sociale zekerheid werkt, werkt ook altijd met taal. En die taal is niet neutraal; ze vormt actief hoe beleid tot stand komt en uitgevoerd wordt, en bepaalt de handelingsruimte van publieke professionals.

Dit artikel verkent deze ‘performatieve werking’ van taal in de sociale zekerheid, met de bijstand als centraal voorbeeld. Door te analyseren hoe waarden, woorden en werkelijkheden met elkaar verweven zijn, laten we zien hoe beleidstaal normatieve aannames bevat en praktijken stuurt. We maken zichtbaar hoe taal het beginpunt is van het verbeteren van de sociale zekerheid, en bieden een handelingsperspectief voor taalbewuste publieke professionals.

Woorden zijn daden
Zoals eerder gezegd: taal is niet neutraal. Als we over de buitenwereld spreken als ‘verrommeld’, dan moeten we opruimen. Als we spreken over ‘wildgroei’ van functies in organisaties, dan moeten we snoeien. En als we spreken over de politiek als ‘gefragmenteerd’, dan is het systeem stuk en moet het worden gelijmd. Taal beschrijft niet slechts de wereld om ons heen; het schept die wereld. Wat we zeggen, zien we ook, en we handelen daarnaar. Taal is daarmee performatief: het handelingsrepertoire reist direct mee met de talige keuzes die we maken.
Het is dus niet ‘geen woorden maar daden’; woorden zijn daden. Wie iets over een praktijk te weten wil komen, doet er daarom goed aan te beginnen bij de taal – het is de eerste bron van kennis. Dat zien we ook terug in de praktijk van de sociale zekerheid. Denk aan het verschil tussen ‘steuntrekkers’ en ‘uitkeringsgerechtigden’ voor het benoemen van de doelgroep van een sociale voorziening, of aan het typeren van de sociale zekerheid als ‘vangnet’ of ‘hangmat’. Zulke termen bepalen niet alleen welk beeld wordt opgeroepen, maar sturen ook het bijbehorende handelen, bijvoorbeeld op het terrein van fraudebestrijding of kansen(on)gelijkheid. Hetzelfde geldt voor het kwalificeren van een doelgroep als ‘laaggeletterd’ of als onderdeel van ‘de onderkant van de arbeidsmarkt’: zulke woorden zetten mensen neer in een schijnbaar vanzelfsprekende orde waaruit maar moeilijk te ontsnappen valt. Woorden scheppen werkelijkheden, en dat is niet slechts een interessant filosofisch inzicht. Het betekent dat de taal van de sociale zekerheid nooit neutraal kan zijn; nooit slechts een ‘verpakking’ van inhoud die door beleidsmakers is bedacht of van werk dat door uitvoerder  wordt gedaan – als het domein van communicatieadviseurs.
Taal is al inhoud, onlosmakelijk verbonden met de professionele waarden die publieke professionals willen uitdragen. Taal vormt beleid en uitvoering en bepaalt daarmee de handelingsruimte van professionals in het sociaal domein. Een begrip uit de sociale zekerheid waar dat misschien nog wel het meest uit blijkt is de ‘bijstand’. Want waarom zit iemand in de bijstand – en niet bijvoorbeeld werkt met de bijstand, leeft van de bijstand of herstelt dankzij de bijstand? ‘Bijstand’ is diep verankerd in de verzorgingsstaat en wordt al snel als vanzelfsprekend beschouwd. Maar bewustzijn van de werking van taal laat zien dat het begrip een sterke morele en politieke lading draagt die richting geeft aan hoe we over mensen in de bijstand denken, spreken en handelen.