Klaas was mijn buurjongen en mijn grootste vriend. Ik bedoel letterlijk de grootste. Hij was een kop groter dan ik, had een grote bos blonde krullen en was al twaalf. Ik was acht. Hoewel hij al zo groot was, speelde hij toch veel met mij en mijn vriendengroep, die buiten Klaas bestond uit achtjarige avonturiers die als een roedel door onze wijk zwierven. Op zoek naar een voetbal, een klimboom of desnoods een bel die erom vroeg geleld te worden.
Op een dag trof ik Klaas aan in een doornhaag. Als ik niet principieel tegen het gebruik van AI was, zou ik je kunnen vertellen dat het om de zuurbes ofwel Berberis gegaan moet zijn. Dit was dé absolute koning van de lage, strakke, stekelige hagen die in de stedelijke omgeving in de jaren zeventig van de vorige eeuw langs voetpaden perfect rechthoekig werden gesnoeid. Als je er als kind met je bal in terechtkwam, zat je gegarandeerd onder de krassen door de messscherpe, drievoudige doorns.
Maar dat kan ik je uiteraard niet vertellen, want waar zou ik – gezien mijn Chatbot boycot - die O informatie vandaan moeten hebben gehaald? Dus. Voor mij was het een doodgewone prikstruik. Een van de vele in mijn wijk. Klaas lag dus in zo´n haag. Aldaar gedeponeerd door andere jongens die net zo groot waren als Klaas. Klaas moest er hard om lachen. Ik had echter al snel in de gaten – ik was een fijngevoelig kereltje – dat Klaas toch vooral angstig lag te wezen. Toen hij was uitgelachen en zijn ‘vrienden’ vertrokken waren om ergens anders iemand het leven zuur te maken, hielp ik hem uit de struik en bracht hem naar zijn moeder. Toen hij thuiskwam en door zijn moeder werd omhelsd begon hij pas hard te snikken. Zo’n grote jongen die bang was en werd geplaagd. En er zelfs van moest huilen. Ik vond het indrukwekkend.
Als ik ’s ochtends vroeg, in mijn pyjama, voor het raam stond om me voor te bereiden op een schooldag, zag ik regelmatig hoe Klaas met een busje werd opgehaald. Mijn moeder had me verteld dat Klaas naar een speciale school ging. Met dat busje. Dat begreep ik niet. ‘Hoe ziet een speciale school er eigenlijk uit?’ vroeg ik mij af. ‘Klaas is een beetje bijzonder, hij is zwakbegaafd’, legde mijn moeder uit, ‘daarom moet hij naar de speciale school.’ Deze toelichting maakte me niet veel wijzer. Ik wist toen nog niet precies wat ‘zwakbegaafd’ betekende. Ik had wel onmiddellijk door dat je dat maar beter niet kon zijn. Voor je het weet lig je te schateren in een prikstruik.
Het is natuurlijk een vreselijke term. Een kind definiëren naar zijn verstandelijke vermogen en hem zo afschrijven als ‘zwak’. Gelukkig hebben we de term afgeschaft. Net als zijn stiefbroer die in de jaren zeventig en tachtig nog furore heeft gemaakt: de MBD, ofwel de Minimal Brain Damage, gediagnosticeerd bij jongens die erg beweeglijk en ongehoorzaam waren. Beetje druk? Dan zijn je hersens stuk! Toen ik jaren later op de Sociale Academie zat – dat bestond toen nog – heeft een docent bloedserieus uitgelegd hoe de termen ‘idioot’, ‘imbeciel’ en ‘debiel’ bruikbare diagnostische categorieën zijn, gekoppeld aan specifieke IQwaarden. (Wist je trouwens wat de beste definitie van een IQ is? Deze: het IQ is de uitslag van een intelligentietest. Veel meer om het lijf heeft het niet. Maar dat geheel terzijde).